God geen kabouter achter leedcomputer

Vroeger waren er dominees met 'singuliere gaven'. Ze hadden geen theologie gestudeerd, maar hadden van hogerhand zo veel meegekregen dat ze toch predikant konden worden. Er zijn nog een paar van die predikers. Bijvoorbeeld de televisie- en theaterster Jos Brink (54), want vrijwel elke zondag is hij te vinden op de preekstoel van De Duif, een gekraakte katholieke kerk in Amsterdam, of heeft hij een preekbeurt elders in het land.

“Vijftig uur per week ben ik in het theater en op de televisie en net zoveel uren zet ik me in voor mijn andere baan. Ik heb dus twee fulltime-banen. Denk niet dat die tweede iets heel anders is. Nee hoor, preken maken, bijbel lezen, studeren, mensen bezoeken, aan pastoraat doen, dat is net zoiets als theater.”

Brink voelt zich een geroepene en hij geniet ervan. Bijvoorbeeld omdat hij kort geleden nog een kindje heeft gedoopt. “En ook heb ik eens een trouwerij, een verbondsviering van twee meisjes, gedaan.” Maar aan de andere kant wordt hij door grote zorgen gekweld. Die gaan over de ziekte van Frank, zijn vriend en partner. Een paar weken geleden kwam het bericht dat hij kanker heeft. “Gelukkig zijn er veel mensen die voor ons bidden. Maar ik hoop maar dat ze dat op de goeie manier doen, want natuurlijk kan God geen tumor wegnemen, maar hij kan wel de handen van chirurgen sturen. Toen dat bericht kwam, als het kwaad goede mensen treft, dan stort je wereld wel in mekaar. Maar dat ik woedend op God ben? Helemaal niet! Zo geloof ik niet. God zal er zijn! Dat staat in Jesaja 41, vers 10. Vrees niet want ik ben met u, zie niet verbijsterd rond, want ik ben uw God; ik sterk u, ook help ik u, ik ondersteun u met mijn zegenbrengende rechterhand.”

Maar het preken gaat door. “De komende zondag in Leusden of Lunteren, ergens in de buurt van Amersfoort. Door alle toestanden met Frank is het leven nu wel erg hectisch. Dus moet ik nog even uitzoeken waar het is, waar ik precies heen moet. Waar het de preek over gaat, staat al vast. Altijd over hetzelfde. Over de liefde. Niet zo maar over liefde, maar over de liefde naar het voorbeeld van Jezus. Zoals die het heeft voorgeleefd, daar is geen speld tussen te krijgen.”

Wat een pastor zoals hij precies doet, is volgens Brink moeilijk uit te leggen. “De hoofdzaak is dat ik een Opdracht heb. Je praat over dingen die je zelf niet weet met mensen die het ook niet weten. En toch komen mensen naar je toe en kun je soms samen iets verder komen. En ondanks alle verdriet dat je in dit werk tegenkomt, moet ik zeggen dat je er toch niet armer van wordt.

“Wat me vooral opvalt is dat er zoveel zwaar beschadigde mensen op ons afkomen. Vreselijk vind ik dat. Al die mensen die door de kerk kapot zijn gemaakt. Of mensen die niet meer uit de voeten kunnen met het beeld van de strenge 'God van de wrake', die mensen rekenschap over hun leven vraagt en alles tot vergelding zou willen brengen. Hoe kan dat nou vraag ik mij af met een God die alleen maar pure liefde is. Die God is ook beslist niet almachtig, ook al wordt hem nog zo veel macht toegedacht. Zo kan ik hem niet zien. God is toch geen toverkabouter achter een leedcomputer die almaar narigheid uitdeelt.”

Aan de universiteit heeft dominee Brink nooit gestudeerd. Hij is een selfmade-pastor. “Het enige wat ik deed was dat ik aan mijn predikant een lijstje boeken heb gevraagd die ik moest lezen. Dat heb ik toen heel grondig en intensief gedaan en zo heb ik de bijbel goed leren kennen.”

Omgaan met die bijbel is volgens Brink je fantasie gebruiken. Niet alleen lezen wat er staat, maar vooral ook wat er niet staat. “'t Is allemaal een kwestie van verbeelding. En omdat ik nou eenmaal een goeie verteller ben, kun je daar prachtig theater van maken. Net als wat dominee Nico ter Linden doet. Dat mag je wel tamelijk briljant noemen.” Het grootste deel van zijn pastorswerk besteedt Brink aan contacten met mensen. “Met het maken van een zondagse preek ben ik in ongeveer een uur klaar. Het moet natuurlijk geen borrelpraat worden. Daarom schrijf ik de preek helemaal uit. Op de kansel moet ik die voor me hebben en me eraan houden. Anders ga ik natuurlijk veel te veel praten. Of ik op tijdens de preek mijn bril op heb? Nee natuurlijk niet. Stel je voor: met de bril op de kansel. Dat kun je de mensen niet aandoen.”