Een nieuw type intellectueel

Zelden zal een hoogleraar zoveel persoonlijke kritiek over zich heen gekregen hebben als prof.dr. Annemieke Roobeek, tweevoudig hoogleraar, moeder van drie kinderen en veelvuldig gevraagd adviseur bij bedrijfsleven en overheid. Een knappe vrouw met een tomeloze energie. Haar Hollands Dagboek in deze krant, stukken in Folia en vooral haar interview in het themanummer over succes van Opzij, leverden een lawine op aan woedende en cynische reacties.

De veelal vrouwelijke critici verwijten haar in de eerste plaats arrogantie ten opzichte van andere vrouwen die het niet zo ver geschopt hebben. Voorts zou zij, door zichzelf zo triomfantelijk ten voorbeeld te houden, bij mannen de indruk wekken dat 'het allemaal best kan' - al die prestaties ondanks een drukbezette echtgenoot, en zonder kindermeisje of huishoudelijke hulp - als vrouwen maar een beetje meer wilskracht zouden tonen.

Het lijdt geen twijfel dat prof. Roobeek zeer uitzonderlijk is, in tal van opzichten. Als duidelijk minder geslaagd exemplaar van die in ons land nog steeds zeer schaarse diersoort, de vrouwelijke hoogleraar, begrijp ik maar al te goed dat bijna elke vrouw zich door prof. Roobeek geïntimideerd voelt. Een dergelijke niet-rationele reactie overkomt mij ook. Mijn in theorie o zo overzichtelijke huishoudentje draait alleen bij gratie van een begripvolle dame die wekelijks hoofdschuddend de beschimmelde theekopjes uit de boekenkast plukt en subtiel doch gedecideerd mijn papieren op stapels van gelijke grootte rangschikt. Ik sta bijna nooit de was te strijken, en zeker nooit tot diep in de nacht. Dan slaap ik, het liefst ook nog veel langer dan de vijf uur die prof. Roobeek zich gunt. Erger nog, ik hang regelmatig als een dweiltje tegen de centrale verwarming om met een roman bij te komen van een slopende vermoeidheid. Voor mij geen commissariaten of adviseurschappen bij belangrijke bedrijven, hoogstens een paar clubjes waarvan het maatschappelijke nut twijfelachtig is.

Maar als ik eerlijk ben, en ik ken Annemieke Roobeek daarvoor net genoeg, dan betwijfel ik of je haar van arrogantie tegenover haar minder bedeelde sekse-genoten mag beschuldigen. Nergens suggereert zij dat iedereen aan haar hoge graad van perfectie zou moeten voldoen. Arrogantie bestaat voornamelijk bij de gratie van de perceptie door de ander, en daar is zij niet in eerste instantie verantwoordelijk voor. Ik beschouw prof. Roobeek dan ook liever als een indicatie van wat er potentieel mogelijk is in de combinatie van carrière en zorgtaken. Een uiterste waarde in een statistische verdeling, die net zo theoretisch is voor de meeste mensen als de tarwe-opbrengsten in Flevoland zijn voor boeren in India, maar die niettemin belangrijk kan zijn voor de verkenning van de grenzen van de samenleving. Een bovengrens is geen norm. Dus gaat het niet aan de boodschapper de inhoud van haar boodschap ten laste te leggen.

Het interview in Opzij roept bij mij nog een heel andere reactie op. In antwoord op de vraag in hoeverre ze lijkt op Rosa Luxemburg, antwoordt prof. Roobeek dat zij beiden intellectuele vrouwen zijn. Die parallel maakt me ervan bewust dat ik een impliciet beeld hanteer van hoogleraren, of breder, van intellectuelen. Een hoogleraar zou toch eigenlijk een intellectueel in het kwadraat moeten zijn. Iemand die gedreven wordt door nieuwsgierigheid, door passie en betrokkenheid, die scherpzinnige vragen stelt en zijn liefde voor kennis niet onder stoelen of banken steekt. Maar bovenal is een intellectueel iemand die zichzelf en zijn kennis kan relativeren en een chronische twijfelaar is. Sterker nog, ik vermoed dat creativiteit het beste gedijt bij een zekere mate van marginaliteit, het niet helemaal erbij horen, waardoor intellectuelen het risico durven te nemen om het ondenkbare te denken. Prof. Roobeeks nadruk op haar unieke kwaliteiten, haar zelfverzekerdheid en doelgerichtheid blijken haaks te staan op de attitudes die in mijn ervaring bij een intellectuele opstelling horen. Twee citaten: “Weet je, kiezen is voor mij niet gemakkelijk omdat ik zoveel wil en kan, ook goed verband zie tussen dingen. Misschien past een ambt als minister-president nog wel het beste bij mij. Dan kan ik me tenminste overal tegenaan bemoeien.” En: “Ik praat nooit iemand na, hecht grote waarde aan origineel zijn (...) mensen als ik [zijn nodig], mensen die op een andere, nieuwe manier naar zaken durven kijken.”

Hieruit spreekt niet een bovenmatig zelfvertrouwen, waarvan ik niet kan beoordelen of dat terecht is, maar vooral een zeer hoge inschatting van haar eigen onnavolgbare bijdrage, een letterlijke zelfgenoegzaamheid, alsof zij alles aan haar eigen universum kan ontlenen. Misschien ligt het voor haar vak (de politicologie) en haar positie anders, wellicht ligt het aan de interviewster, en waarschijnlijk bedoelt ze het niet zo extreem. Maar hiermee wordt tussen de regels door een karikatuur geschetst van de hoogleraar. Om me heen zie ik niet anders dan dat wetenschap en de toepassing van wetenschappelijke kennis altijd betekenen dat je voortdurend keuzes moet maken en tegelijk moet voortbouwen op wat anderen eerder hebben gedaan. Wij zijn immers slechts dwergen op de schouders van reuzen. Nieuwe inzichten ontstaan meestal in een omgeving waarbinnen duidelijk programmatische keuzes een zekere mate van anarchie bestaat, van ideeën formuleren en weer verwerpen, van dingen uitproberen en afschieten, van intense nieuwsgierigheid, discussie en twijfel. Bijna niemand, een Copernicus, een Einstein of een E.O. Wilson daargelaten, komt in afzondering tot werkelijk nieuwe ideeën. Dat geldt niet alleen voor wetenschappelijk onderzoek, maar voor kennis in het algemeen.

Creativiteit is omzien in verwondering, zo niet in verwarring. Verwarring en verwondering zijn wel de laatste eigenschappen die je prof. Roobeek zou willen toedichten. Daarin staat zij zeker niet alleen. Het hele beoordelingscircus aan universiteiten, het verwerven van externe fondsen en opdrachten staat en valt bij het vermogen van de wetenschappelijke elite om zich met een grote mate van zelfverzekerdheid aan de samenleving te presenteren. De wetenschap, door overheid of bedrijfsleven gefinancierd, moet veel beloven en liefst ook nog ogenblikkelijk waarmaken. Die opstelling biedt weinig ruimte voor expliciete twijfel, niet alleen tegenover de buitenwereld, maar ook binnenskamers, want hoogleraren worden steeds meer elkaars concurrenten om dezelfde schaarse middelen.

Ook studenten hebben geen boodschap aan een gezonde dosis onzekerheid. Zij moeten snel afstuderen. Twijfel kost tijd. Zelfverzekerdheid vormt een minimale voorwaarde om een baan te bemachtigen. Zo valt het me elke zomer weer op hoeveel moeite studenten hebben met het feit dat tijdens ons interdisciplinaire veldwerk in Spanje sommige waarnemingen verschillend geïnterpreteerd worden door de aanwezige docenten, zonder dat er een definitief antwoord voorhanden is. Voor dergelijke ambivalentie hebben weinigen een zintuig ontwikkeld.

Zo verwordt de intellectueel langzaamaan tot een probleemoplosser, tot iemand die alles al weet. Zijn intellectuele bagage beperkt zich tot een koffer met recepten of scenario's die naar gelang de omstandigheden toegesneden kunnen worden op het probleem van de dag. (Als je tegenwoordig jonge mannen met dikke boeken onder de arm ziet lopen, zijn het geen verslaafden aan Musil of Mann, maar aan software-handleidingen of managementscursussen.) Nu kennis binnenkort overal en gratis beschikbaar is, is het verleidelijk te denken dat je niets meer hoeft te weten. Niet zozeer de ongelijke toegang tot kennis in de samenleving, maar het aanleren van attitudes waarmee toekomstige generaties om kunnen gaan met de veelheid van ongelijksoortige en tegenstrijdige kennis die beschikbaar is, zou onze eerste zorg moeten zijn. Het risico is reëel dat wie door de bomen het bos niet meer ziet, zichzelf maar weer als maat aller dingen beschouwt en niet de moeite neemt na te kijken wat er over een bepaald onderwerp al bekend is. Dit verschijnsel zien we nu al op sommige delen van Internet.

Prof.dr. Annemieke Roobeek is niet alleen een representant van een nieuwe generatie supervrouwen, maar vooral ook van een nieuw type intellectueel. Als rolmodel voor de jonge carrièrevrouw heeft ze ongetwijfeld een belangrijke functie, al zal haar prestatie voor weinigen zijn weggelegd. Maar als voorbeeld van de academische elite verontrust ze me. Dat ligt niet aan haarzelf, want ik neem aan dat haar prestaties inderdaad indrukwekkend zijn, zeker als je de venijnige reacties waar zij tegenop moet boksen in aanmerking neemt. De vraag is alleen: moet de universiteit niet meer een vrijplaats zijn voor intellectuelen in plaats van een kraamkamer voor prestatie en succes?