Een gevoelige vrouw

“U wilt wel een glas port. Ik heb hier een eigen flesje. Mijn vader kwam hier al. Ik wil met u over de jacht praten. U hebt Ortega Y Gasset gelezen. Daar staat het allemaal al in. De wereld verloedert. Het zijn de nieuwe rijken die de jacht een slechte naam bezorgen. Er gebeuren incidenten die niet door de beugel kunnen.

Men laat een aangeschoten varken creperen. Zo'n dier hoort het genadeschot te krijgen. Dat komt in de krant. Dat geeft het jachtbedrijf geen goede naam. En wat neemt de jacht nu eigenlijk? Jaarlijks komen in Nederland vijftien miljoen hogere dieren, van amfibieën en reptielen tot en met zoogdieren, in het verkeer om. Daar hoort men nooit iemand over. Maar wat de jacht betreft, men kan geen krant opslaan of er staat wel een huilstukje in van de een of andere getordeerde stedeling. De jacht heeft het toch aan zichzelf te danken. Er is geen adel meer, zielenadel bedoel ik, zo'n titeltje zegt me niets. Ik jaag nog steeds. Met mate. Ik krijg er minder plezier in hoewel ik weet waarom ik jaag. Het gaat om het buiten zijn, te zien dat men zijn jachtveld goed verzorgt, voldoende roodwild, voldoende veerwild, evenwicht, overal herinneringen, zoals op de hoek van de voormalige rogge-akker waar die aan de Meeterbaan grenst, waar nu die bungalowtjes staan. Daar schoot ik als veertienjarige mijn eerste bok, een knappe twee-ender en mijn vader stond achter mij en hij streelde mijn voorhoofd en hij lachte. En ik wist dat ik man was geworden. Als je dat hebt meegemaakt. Ik zwerf hier veel, de Lavoisier aan de schouder.

Nog maar zelden los ik een schot. Ik neem een bok wel op de korrel, maar ach. Tegenwoordig moet ik een aanleiding hebben. Een uitgestoten bok met longworm uit zijn lijden helpen. Of, de jongste van mijn voorman-bosarbeider was ziek, een redelijke influenza met hoge koorts en ik ging uit voor een houtduifje. Een soepje daarvan werkt versterkend. Men zaait en men oogst. Waarom vertel ik dit. U bent natuurmens, dat hebben wij gemeen. U bent natuurmens zonder geweer, maar wij verschillen niet zoveel. U zult dit begrijpen, dit voorbeeld dat aangeeft wat het verschil is tussen weidelijkheid en slachten. Wij, mijn echtgenote en ik, waren uit op beren in Roemenië. Er was ons een eenvoudige jachthut ter beschikking gesteld met een heerlijk uitzicht over het dal. In het avondzonnetje, zittend voor onze hut, in afwachting van het avondmaal, genoten wij. Maar mijn echtgenote is wat oversentimenteel. Wij aten daar veel kip. Onze kok, een man uit één stuk, een oermens, had de gewoonte op het hakblok achter de hut een kip de kop af te slaan en dan rende dat beestje langs ons voor. Mijn vrouw wendde dan haar blik af. Het bloed parelde eruit. Ik wilde een eind maken aan die toestand en pakte mijn karabijn, zo'n klein handig dingetje, en ik ging daarmee naar die man en zei beste kerel, wat je doet, doe je goed, maar ik zit met een gevoelige vrouw en ik deed het hem voor. Ik schoot met dat wapen een rustende kip uit de boom en die viel dood voor zijn voeten. Dat is het verschil, meneer, dat zal een niet-ingewijde nooit begrijpen. U wel. Nog een glaasje port. Het is wat dampig vanmorgen.''