Blinde vlekken en argwaan bepalen EMU-kritiek

Plotseling gaat het keihard. Links en rechts van het Nederlandse politieke spectrum keren zich tegen de Economische en Monetaire Unie (EMU). Het opvallende is dat de argumenten diametraal tegenover elkaar staan, maar dat de conclusie dezelfde is: niet doen.

Het standpunt van 'rechts', om het kortheidshalve zo te noemen, is dat van de eurosceptici. Daartoe behoren niet alleen verstokte Tories in Groot-Brittannië of de Angelsaksische vertegenwoordigers van de financiële markten die de EMU beschouwen als een dirigistisch complot van Brusselse bureaucraten om de vrijheid van de speculanten in te perken.

In Nederland is deze stroming te vinden binnen de VVD. Fractievoorzitter Bolkestein heeft voorgesteld om, onder omstandigheden, de gulden desnoods buiten de EMU te houden (NRC Handelsblad, 11 februari). Net zoals de Britten en Denen in het Verdrag van Maastricht hebben bedongen, wil Bolkestein het liefst een opt out voor Nederland.

De argumenten zijn gebaseerd op de argwaan dat de criteria van 'Maastricht' (een begrotingstekort van maximaal drie procent en een staatsschuld in de richting van zestig procent van het bruto nationale produkt) niet gehaald worden, dat lidstaten met hun cijfers zullen sjoemelen, dat de beoogde discipline niet zal werken maar dat sprake zal zijn van een politieke invloed op het monetaire beleid van de toekomstige Europese Centrale Bank.

Bovenal is het een uiting van wantrouwen jegens de politieke bedoelingen van andere EU-lidstaten en een pleidooi voor behoud van Nederlandse maagdelijkheid. De EMU strookt kortom niet met het economische liberalisme van de vrije markten. Dit standpunt vertolkt de latente afkeer van 'Europa' gekoppeld aan de vrees voor het einde van de harde gulden en de introductie van een onzekere euro. Daarnaast hanteert Bolkestein argumenten die andere critici van de EMU ook naar voren brengen. Zoals de waarschuwing dat landen bij één munt het monetaire instrument uit handen geven en dat asymetrische economische schokken nog slechts kunnen worden opgevangen door oplopende werkloosheid. “[We] stevenen af op een muntuniegebied waar de slechter functionerende economieën zich onderscheiden van de beter functionerende economieën door een hogere werkloosheid”, aldus de VVD-leider.

Dezelfde gedachte is te vinden in het manifest dat zeventig academici tegen de EMU hebben opgesteld (zie De Volkskrant van 13 februari en het artikel van mede-ondertekenaar Jos de Beus in NRC Handelsblad van 12 februari). Het manifest ('Met deze EMU kiest Europa de verkeerde weg') is de 'linkse' afwijzing van de monetaire unie. Voor een deel spoort hun argumentatie met die van 'rechts', voor een deel ook niet. De 'groep van zeventig' (academici van diverse pluimage) zien in de EMU een instrument van recessie en een overwinning van het neo-liberalisme. De bezuinigingen op de overheidsuitgaven die nodig zijn om de tekortnorm van 'Maastricht' te halen - bij Bolkestein het absolute minimum - gaan voor de academische critici te ver. Als alle landen tegelijk bezuinigen, remt dat de vraag, groeit de kans op recessie en stijgt de werkloosheid.

Tegelijkertijd beschouwen ze de EMU als de triomf van het verfoeilijke neo-liberalisme. Hard geld - de eis van Bolkestein - is ze een gruwel. Liever een beetje inflatie voor wat meer groei en werkgelegenheid. En liever een beetje financieringstekort dan streven naar een begroting die “vrijwel in evenwicht” is, zoals de regeringsleiders eind vorig jaar in Dublin hebben afgesproken bij de aanvaarding van het Stabiliteitspact.

Wat wil de Groep van zeventig? Ze houdt een pleidooi voor een nieuw soort Keynesianisme: gestuurd stimuleringsbeleid door de overheid, waarbij de EMU de schuld van alles krijgt. Maar tegelijkertijd een recessie voorspellen en het neo-liberalisme verdoemen heeft weinig met elkaar te maken.

Neem de twee grote problemen waarmee alle Europese landen te maken hebben: de werkloosheid en de welvaartsstaat. De toekomstige financiering van de pensioenen wordt door de 'G-70' helemaal niet genoemd. Ze lijken niet te beseffen dat overheidstekorten een manier zijn om huidige uitgaven op toekomstige generaties af te wentelen. Terwijl eigenlijk gespaard zou moeten worden om de kosten van de vergrijzing, die onafwendbaar op Europa afkomt, te kunnen financieren. Niet voor niets is vanuit de PvdA een plan gelanceerd voor een AOW-spaarfonds.

Dezelfde blinde vlek geldt voor de kosten van de welvaartsstaat. Deze worden opgebracht door arbeid te belasten en de hoge arbeidskosten dragen direct bij aan het werkloosheidsvraagstuk in Europa. Het is onthutsend hoe zeventig academici over de twintig miljoen werklozen in Europa kunnen schrijven zonder ook maar één woord uit hun pen te krijgen over het probleem van starre arbeidsmarkten, hoge bruto-loonkosten of de bescherming van de 'insiders' op de arbeidsmarkten tegen de laag opgeleide, vaak allochtone 'outsiders'. Dat zijn geen elementen van de EMU, maar van de vastgelopen sociaal-economische arrangementen van Europa.

De aanpak hiervan vergt niet de door de 'G-70' bepleite herhaling van het oude beleid van stimulering van de vraag, maar aanbodseconomische aanpassingen. Met alle nuances die daarbij gehanteerd kunnen worden, bestaat hierover brede beleidsovereenstemming. Er zijn inmiddels boekenkasten over volgeschreven.

De lidstaten van de Europese Unie staan voor immense economische uitdagingen. Het debat over de morosité in Frankrijk, de politieke kentering, de argwaan tussen Frankrijk en Duitsland, de opkomende kritiek op het Rijnlandse model in Duitsland, de kwestie van het Europese concurrentievermogen in een gemondialiseerde economie - het is maar een greep in de discussies die gaande zijn. Europa is bezig met een diepgaande economische bezinning die ook zonder monetaire unie noodzakelijk zou zijn. De EMU heeft dat proces hooguit onder een vergrootglas gelegd.

Nóg een argument ontbreekt totaal aan het manifest van de Groep van zeventig. Namelijk de reële mogelijkheid dat de financiële markten argwaan krijgen over de invoering van de monetaire unie en opnieuw beginnen Europese munten aan te vallen. De speculatieve crises van 1992 en 1993, door critici in een eerder stadium vaak aangehaald als een reden om snel met een monetaire unie te beginnen, zijn kennelijk alweer vergeten.

Bolkestein zou met zo'n nieuwe valutacrisis heel goed kunnen leven, want dan maken de financiële markten de EMU voor hem af, zoals ze in 1992 het pond en de lire uit het oude wisselkoersmechanisme van het EMS duwden. Maar voor de linkse academici zou het een nieuwe gruwel zijn, een reden om voor belasting van het kapitaalverkeer en beperking van de inwisselbaarheid van munten te pleiten. Of misschien wel voor de invoering van één munt.