Zo'n vreemde man

“Dit is Gewalleke. Ze stierf bij mijn geboort. Keizersnede. Infectie. Vrouwen die zwanger zijt, stelt u in handen van dokter Teurlings, riep meneer pastoor nog van de kansel.

Die heeft niet zo veel meer te doen gehad. Ze gingen liever naar Breda als ze de centen hadden. Naast haar in dat mooie pak is Teus, mijn vader. Die heb ik ook nooit gekend. Hij had zoveel verdriet. Is meteen na mijn geboorte een café begonnen in de veenkoloniën. Daar kwamen veel schippers. Dat weet ik wel. Soms onweerde het en dan dacht ik: Dat licht moet hij daar ook zien bij zijn jenever en zijn turven, nu denkt hij aan me. Het is er nooit van gekomen. Te ver, te duur en mijn mevrouw wilde me niet laten gaan. Kind, zei ze dan, wat moet je nou bij zo'n vreemde man, je hebt het hier toch goed. Met zo'n uithaaltje op goed. Ze was niet warm maar ze was beter dan Gewalleke want die was dood. Haar zoon maakte me zwanger. Ik mocht wel eens meerijden in zijn Spijker. Die naam herinner ik me nog en ook het mooie leer van de zittingen. Zijn moeder had wel wat in de gaten dus thuis deed hij het niet. Ik heb nog wel eens gevraagd: 'Zullen we naar Groningen rijden' maar dat vond hij te ver, dan raakte hij de weg kwijt, zei hij. Hij bracht mij wel naar een engeltjesmaker in Amsterdam, maar die deed haar werk zo slecht. Haar zoon betaalde alles en toen zijn kind toch kwam, zes pond twintig, was ik blij. Ik wist niet wat dat was, blij. Het kind lag in mijn armen en dronk uit mijn borsten en ik dacht: Altijd heb ik alles maar moeten nemen, nu kan ik geven en nemen. Dat kind had ik net zo nodig als hij mij. De nonnetjes waren goed voor me. Ik was een zondares, zeiden ze, maar mijn kind kon daar niets aan doen, dat was geschapen naar het evenbeeld van God, zeiden ze en ik wilde hem naar de kleine lieve Jezus noemen maar dat mocht niet. Dat was meer voor de heidenen in Spanje. Die waren ook wel katholiek, maar ze leefden dichter op de paus, zeiden ze. Dat heb ik nooit begrepen. Ik moest daar weg en ik had kapotte handen want we moesten de rijgdraden uit meelzakken halen en daar breiden we onderbroeken van voor de missie en ik kreeg een zak met een half rogge en een stuk spek mee, voor het zog, zeiden ze, en wat kleertjes voor het kind, er was een geborduurd hempje bij, dat was mooi, en ik wist niet waarheen, bij mijn mevrouw hoefde ik niet meer te komen en ik reed nog met een boer mee, bij hem mocht ik op de aardappelen zitten, dat bonkte wel en ik verloor bloed en ik mocht die nacht in zijn kot slapen, maar toen hij al dat bloed zag stuurde hij me weg. Ik liep langs de baan met mijn kind in mijn armen en het huilde want ik had geen zog meer. Ik liep maar en liep maar en uiteindelijk was er een klein huisje, een open huisje, het rook er naar water, dat is heerlijk, de geur van water, en de volgende morgen bij het licht maakte iemand me wakker. Dat was Gerrit. Hij pakte me op, droeg me naar zijn schip en het kind mocht blijven. Hij maakte een bed voor me en ik mocht slapen. Hij heeft altijd voor ons gezorgd. Ik ben nooit verliefd op hem geweest want dat kon ik niet meer. Vorig jaar is hij gestorven. In vrede. Nu woon ik alleen op deze wrakschuit. Mijn zoon was al eerder gegaan. Ik heb het heerlijk. Ik ben eindelijk gelukkig. Dat weet ik nu, wat dat is.''