Waar je went aan wat je mag

Edward van de Vendel: Betrap me! Querido, 37 blz. ƒ 22,90 Herman Brusselmans: Meisjes hebben grotere borsten dan jongens. Illustraties van Gerda Dendooven. De Fontein, 47 blz. ƒ 19,90

Hoe eenvoudiger poëzie wordt, hoe meer je je afvraagt wat het eigenlijk is. Gedichten voor kinderen worden vaak versjes, olijke verhaaltjes op rijm, en dat is in zekere zin wel prettig, want een versje is een duidelijk iets. Maar als de dichter serieuzer wil zijn, is het vaak lastiger. Voor je het weet is er op diepzinnige kindertoon zo goed als niets beweerd. De vorm vraagt, juist bij kinderpoëzie, uiterste aandacht, zodat alledaagse gebeurtenissen in een onalledaags licht kunnen komen te staan, zoals de frambozen van Judith Herzberg op het etiketje van de Zwaardemakers jam: 'in hartverscheurende belichting'.

Edward van de Vendel schreef Betrap me, een bundel kindergedichten over niets bijzonders. Een echte dicht-bij-huis bundel, met een 'doje poes en een kwaje zus', een oude oma, een radio en een aapje in de dierentuin - dus eigenlijk precies over de onderwerpen waar het echt om gaat. Want het grote drama, dat speelt zich maar zo weinig af. Het belangrijke zijn de dagen zoals ze er alle dagen uitzien, het belangrijke is wat zich onder je ogen, voor je neus en binnen handbereik afspeelt. En het allerbelangrijkste is om daar de goede bewoordingen voor te vinden.

Van de Vendel is een elegante, vorm- en taalbewuste dichter. Het gedicht 'Tegel' begint zo:

Mijn school heeft

halfnegen-tegels

waar je went

aan wat je mag

waar je wacht

op juf haar dag.

We staan in rijen

plein te zijn.

Met achteraan

de blije kleintjes

en de stoep is

achtste groep.

Dit is schijnbaar alleen nog maar beschrijving, maar er is al een waardering, een standpunt in opgenomen. Een kinderstandpunt, want in de kinderwereld worden de regels van boven opgelegd: 'waar je went aan wat je mag' en een dag is 'juf haar dag'. Verder is er subtiel gerijmd, niet allemaal kaarsrecht eindrijm maar in elkaar overglijdende klanken, zoals al die ij's in 'we staan in rijen plein te zijn' en even later nog 'blije kleintjes' - mmm, dat leest lekker.

Zo gaat het in meer gedichten, rijm op onverwachte plaatsen, metrisch goed gelukt, vriendelijke woordkeus, onaanstellerige onderwerpen en zinnen. Een goede dichter Van de Vendel. Maar geen grote. Het blijft bij het even laten oplichten van een gebeurtenis of een gedachte. Er wordt niet iets echt uitgezocht zoals bij voorbeeld Ted van Lieshout, aan wie Van de Vendel wat toon betreft wel eens doet denken, wèl doet. Het kan allemaal gevaarlijker en diepgravender - het is nu vaak alsof de dichter al voor hij een gedicht ging schrijven wist waar hij uit zou komen.

Herman Brusselmans, de Vlaamse schrijver die niets liever wil dan een enfant terrible zijn, schreef Meisjes hebben grotere borsten dan jongens. Een grappig brutale titel en ook de illustraties van Gerda Dendooven mogen er zijn. Maar van deze versjes kun je op zijn best zeggen dat ze iets ongegeneerds hebben. Ze gaan over kinderseks ('De naakte Luna wees op een plekje boven aan haar dij/ “Vooruit dokter Benno”, zei ze “kijk eens goed naar mij” '), over racisme, over kinderhaat en -geweld ('Uit de kast nam hij het glanzende wapen/ en hij wachtte vastbesloten/ Geen seconde spijt had hij later,/ nadat hij zijn vader had neergeschoten'). Maar het rijm is knullig, het metrum strompelt en de woordkeus is gemakzuchtig. Een jongetje zit bij voorbeeld 'bevend in de kille kou', kinderen zijn 'vermoeid en uitgeput', een domme sadist zegt tegen een Turkse jongen 'zoek bij je eigen soort, de vieze Turken, een of ander lief' - dat is allemaal overduidelijk opgeschreven zonder dat de schrijver er ook maar een seconde over heeft nagedacht. Geef mij maar de precisie van Van de Vendel.