Verdwaald in het oerwoud dat Israel heet

Lisette Lewin: Vorig jaar in Jeruzalem: Israel en de Palestina-pioniers. Nijgh & Van Ditmar, 488 blz. ƒ 49,90

Over Israel en de geschiedenis van de joden zijn bibliotheken vol geschreven door pro- en antisemieten, Zion-minnaars en anti-zionisten, godsdienstgeleerden en -fanaten, historici, reizigers, voormalige correspondenten, oud-bestuursambtenaren en wat nog meer. De journaliste en schrijfster Lisette Lewin schaarde zich in dit bonte gezelschap. Zij stelde zich aanvankelijk tot taak de geschiedenis te beschrijven van de 'Palestina-pioniers', de Nederlandse joden die in de eerste helft van deze eeuw naar Palestina emigreerden - bijna altijd uit idealistisch-zionistische motieven, vrijwel nooit omdat zij door de omstandigheden tot vertrek gedwongen waren.

Lisette Lewin las veel, legde talloze bezoeken af en heeft haar vingers blauw geschreven. Met vooruitziende blik kondigt zij in haar voorwoord aan: 'Menigeen zal dit boek een vreemde melange vinden'.

Dat klopt. Want zij beperkte zich niet tot haar voornemen. Zij voegde uittreksels toe van door anderen geschreven boeken over specifieke joden en over de zionistische beweging, waarvan overigens slechts zeer weinig Nederlandse joden deel uitmaakten. Daarnaast vulde zij de gebeurtenissen die zij tijdens haar verblijf in 1993 meemaakte, aan met brokjes 'actualiteit'. En ten slotte gaf zij vrijwel elke door haar genoemde persoon - belangrijk of niet voor haar verhaal - een groot aantal biografische gegevens mee, inclusief jaartallen en familierelaties.

Het resultaat van dit alles is een oerwoud zonder paden of richtingaanwijzers. Een boekwerk dat zapt van heden naar verleden en terug, van de één naar de ander, van Israel naar een groot aantal niet ter zake doende, persoonlijke ontboezemingen en emoties van de schrijfster: hoe en waar zij sliep, wat zij at, wie ze en passant ontmoette, en hoe zij zich voelde.

Niet-conform de zap-regels is het boek dik en dus tijdverslindend. Nu eens gaat het razendsnel door de geschiedenis - de ene keer luchtig en amusant, de andere keer ontroerend en soms fascinerend. Dan weer babbeldebabbelt het tot in de kleinste bijzonderheden door over mensen en gebeurtenissen, waarbij verborgen blijft waarom zij zó veel aandacht verdienen. En af en toe verstrekt het stukjes geschiedenis die in de verste verte niets met de Nederlandse 'Palestina-pioniers' te maken hebben - zoals over de NILI-spionnen, een klein groepje in Palestina levende joden die tijdens de Eerste Wereldoorlog voor de Britten spioneerden. Uiteindelijk is Lisette Lewin verdronken in een even lijvig als onevenwichtig werkstuk: een combinatie van dagboek, reisgids, egodocument en een wirwar van historische wederwaardigheden, aangevuld met een serie vaak slordig genoteerde en niet geordende, biografische herinneringen van een aantal personen.

In haar inleiding schrijft ze: 'Onder het motto “wat ik niet weet, weet de lezer ook niet”, lijd ik aan de onbedwingbare drang van de journalist nieuw verworven kennis door te geven.' Inderdaad heeft zij haar drang niet bedwongen. Zij moest van zichzelf alles wat zij zag, las, meemaakte, hoorde en voelde tot in de kleinste details in een boek verwerken. Maar haar kennis over de inhoudelijke betekenis van het jodendom en de geschiedenis van het Israelisch-Arabische conflict is domweg te beperkt.

Nieuw verworven kennis heeft nu eenmaal tijd nodig om te bezinken en - na gedisciplineerde controle - ingebed te worden in wat men al weet. Dat deed Lisette Lewin niet. Zij schiftte niet het irrelevante van het essentiële. En zij die haar gegevens hadden moeten controleren, namen hun werk kennelijk niet erg serieus. Tea and sympathy brengen een ongericht projectiel niet op koers; alleen een zeer strenge èn deskundige begeleider kan dan nog soelaas bieden.

Misschien is tijdgebrek de reden waarom zij in haar eindeloos voortkabbelende verhalen over Nederlandse joden, waarin de causale verbanden heel vaak ontbreken, zoveel non-informatie verstrekt en tevens zoveel vragen openlaat. Waarom zij een toch niet onbelangrijk begrip uit het jodendom, als de Talmud, met een paar onzin-frases aan een algemeen lezerspubliek voorlegt. En waarom zij zoveel fouten opeenstapelt: data die niet kloppen, waarnemingen die niet met de realiteit overeenstemmen, gebeurtenissen die nét wat anders waren dan zij beschrijft, Hebreeuwse woorden die onjuist zijn weergegeven, namen die verhaspeld zijn.

Die slordigheden - te veel om op te sommen - zijn bij een eventuele herziene druk door een ter zake kundige eindredactie nog te herstellen. Maar niet herstelbaar is datgene wat Lisette Lewin nalaat: orde te scheppen in de chaos van haar verhalen, antwoord te geven op zovele vragen die na lezing overblijven.

Waarom bij voorbeeld waren de politieke ambities van de Nederlandse 'Palestina-pioniers' over het algemeen veel minder groot dan die van de uit Oost-Europa geïmmigreerde joden? Hoe zionistisch zijn zij - en hun kinderen en kleinkinderen - gebleven in het steeds non-zionistischer wordende Israel? Hoe en waardoor werd de dichter-schrijver en journalist, Jacob Israël de Haan, die uit Nederland vertrok als een orthodox-religieuze zionist, in Palestina een ultra-orthodoxe anti-zionist? Enzovoort, enzovoort.

Lisette Lewin is precies de andere richting uitgegaan dan zovele joodse journalisten in Israel, die in de loop der tijd een stuk kritischer werden ten aanzien van de samenleving waarover zij berichtten. De bewonderaarster van de anti-zionistische revolutionairen van links werd, zoals zijzelf eerlijk toegeeft, in de loop der jaren een beetje verliefd op Israel, al zou ze daar voor geen prijs voor altijd willen wonen.

Die verandering is duidelijk merkbaar. Uit de manier waarop zij de ervaringen weergeeft van de 'Palestina-pioniers' en van Israels oorlogen tegen de Arabieren blijkt duidelijk waar thans haar sympathieën liggen. Mede geïnspireerd door de verhalen van de 'Palestina-pioniers' legt zij in haar 'historische beschouwing' veel grotere nadruk op de joden die door Arabisch geweld om het leven kwamen, dan op de Arabieren die door Joods geweld werden gedood. Zij zoekt immers een Israel waar geen argeloze en goedwillende joden zomaar door Palestijnen worden vermoord of in de rug gestoken. Een Israel dat in vrede met de Arabieren leeft en, in geval van nood, haar toevluchtsoord kan zijn.

Haar hang naar zowel romantiek als veiligheid, gecombineerd met haar oppervlakkige kennis van de Israelische en de Palestijns-Arabische samenleving, brengt haar ertoe te schrijven dat het vredesproces op het moment van de moord op premier Rabin 'verder voortreffelijk liep', terwijl het juist in ernstige problemen verkeerde - reden waarom Rabin zo gelukkig was over de hoge opkomst bij de vredesdemonstratie op de avond dat hij werd vermoord.

Zij bericht tussen neus en lippen door dat 'Sjas, de partij (is) van tirannieke rabbijnen, met een achtergrond uit Noord-Afrika, Iran en Irak'. Maar deze partij vertegenwoordigt in de eerste plaats de bepaald niet fanatieke, cultureel-religieuze tradities van de sephardische joden. De sephardisch-orthodoxe rabbijnen zijn juist over het algemeen soepeler op religieus gebied dan hun askenazische collega's, omdat zij minder bevreesd hoefden te zijn voor assimilatie van hun volgelingen in de islamitische wereld.

Zij schrijft dat de tolerantie van de Turkse heersers over Palestina in de Eerste Wereldoorlog 'onder invloed van de Duitse bondgenoten verdween. Joden werden nu opgehangen. Bij de Jaffapoort hingen ze dagenlang aan galgen om een voorbeeld te stellen.' Onzin. Behalve Joden werden ook Arabieren opgehangen en de Armeniërs massaal uitgeroeid - niet omdat de Duitsers daarop aandrongen, maar omdat het Ottomaanse Imperium, dat de oorlog aan het verliezen was, onder invloed van de nationalistische Jong Turken, steeds harder optrad tegen zijn onbetrouwbaar geachte minderheden.

Het zijn maar een paar voorbeelden uit een lijst, die met nog vele missers kan worden aangevuld. Jammer dat uitgeverij Nijgh & Van Ditmar een zo uitstekende journaliste als Lisette Lewin niet beter heeft beschermd tegen haar te grote ambities en emoties.