Twee biografieën van Herman Melville; Moby-Dick, de walvis waarvan hij alles verwachtte

Kort na elkaar verschenen twee biografieën van Herbert Melville, een Amerikaan van Nederlandse afkomst die vooral beroemd werd door zijn roman 'Moby-Dick'. Ook onbekend werk van hem wordt nu weer uitgegeven en binnenkort verschijnt in Nederland een vertaling van zijn geestige boek over een oplichter die tijdens een bootreisje op de Mississippi alles en iedereen op de hak neemt. Waaraan ontleende Melville zijn faam? Een van de biografen noemt hem het eerste Amerikaanse sekssymbool. Maar hij wordt ook beschouwd als een voorloper van Freud en als een schrijver voor schrijvers. 'Melville nam risico's, dat is het mooie.'

Hershel Parker: Herman Melville. A Biography. Volume 1, 1819-1851. John Hopkins University Press, 962 blz. ƒ 80,85

Laurie Robertson-Lorant: Melville. A Biography. Clarkson Potter Publishers, 710 blz. ƒ 75,20

In april, bijna een jaar geleden, bezocht ik vlakbij het dorpje Stockbridge in de Verenigde Staten het Norman Rockwell museum. Stockbridge ligt ongeveer driehonderd kilometer ten noordwesten van New York, midden in The Berkshires, een tamelijk toeristisch gebied met veel bossen, heuvels, meertjes en meren. Norman Rockwell voorzag in de jaren vijftig bladen als The Saturday Evening Post en bij ons Panorama van fraaie en vrolijke realistische illustraties, die hij, zoals in het museum bleek, oorspronkelijk als forse schilderijen (1,20 bij 0,90 meter) opzette, wat je er op de voorkanten van die bladen niet aan afzag en ze waren, alweer een verrassing, eigenaardig losjes geschilderd, bijna expressief van toets.

Ruim een half jaar later kwam ik thuis weer Stockbridge tegen, nu als het plaatsje waar Herman Melville rond 1850 zijn gasten - andere schrijvers en uitgevers uit New York - van de trein haalde. Hershel Parker schrijft er in zijn net verschenen Melville-biografie uitvoerig over. Ook Nathaniel Hawthorne, schrijver van onder andere The Scarlet letter, woonde toen vlak bij Stockbridge. Parker geeft een fraai beeld van het gezelschap dat in de jaren vijftig van de vorige eeuw de omgeving daar onveilig maakte. 's Avonds waren er feesten en gekostumeerde bals en overdag trok men in koetsen en koetsjes door het ruige landschap, men picknickte, dronk er uitbundig op los (flessen champagne en cider gingen er achter elkaar doorheen), discussieerde over de Amerikaanse literatuur, over slavernij, over geldzucht, over Shakespeare, de eeuwigheid, de eigen kinderen en over het nieuwe boek dat Melville in die tijd schreef, het boek dat De Walvis moest gaan heten en waarin, nog nooit vertoond, een dier de hoofdrol speelde.

Hier schreef Melville onder de bizarre schuilnaam, 'a Virginian Spending July in Vermont' in twee dagen een vlammend essay over het werk van Hawthorne dat hij zomaar even met dat van Shakespeare vergeleek. De sociaalvoelende Melville, voormalig zeeman, autodidact en berucht schrijver van een paar boeken over een verblijf bij de kannibalen, raakte bevriend met de zwijgzame, geïsoleerde Hawthorne, ze zochten elkaar regelmatig op. Iets van hun vriendschap is te proeven uit een fragment dat Hawthorne in zijn dagboek schreef. Op 1 augustus 1851 (Hawthorne wist niet dat Melville die dag jarig was!) kwam een ruiter langs zijn huis, hij groette vanuit de verte in het Spaans, Hawthorne herkende hem eerst niet, maar toen de man weer groette zag hij dat het Melville was. Hawthorne en Julian (zijn zoontje) gingen naar hem toe en gezamenlijk liepen ze terug naar huis waarbij Melville Julian in het zadel tilde, 'and the little man was pleased', schrijft Hawthorne, 'and sat on the horse with the fearlessness of an old equestrian, and had a ride of at least a mile homeward'. Melville was toen 32 jaar, had zelf een zoontje van twee en De Walvis, het boek waarvan hij alles verwachtte, was bijna af.

Herman Melvilles werk en leven staan de laatste tijd weer sterk in de belangstelling. In korte tijd verschenen twee heruitgaves van zijn roman Pierre or The Ambiguities waarvan er één behoorlijk omstreden is omdat de tekstverzorger (Hershel Parker!) grote stukken uit de oorspronkelijke versie wegliet. Vorig jaar kwamen twee biografieën van hem uit, eerst in mei die van Laurie Robertson-Lorent en in december de wel zeer uitvoerige van de bovengenoemde Parker, wiens pil van ruim negenhonderd pagina's alleen nog maar de eerste 32 jaren van Melvilles leven bestrijkt en ten slotte verscheen een werk van Elizabeth Renken over Melvilles sociale achtergrond.

Nederland blijft in de belangstelling niet achter. Dirk van Weeldens roman Tegenwoordigheid van Geest uit 1989 is duidelijk geïnspireerd door The Confidence-Man, waarvan dit jaar een vertaling uitkomt en het tijdschrift De Revisor besteedde in een van zijn laatste nummers ruim aandacht aan Melville.

Is er sprake van een hype rond Melville? Erg waarschijnlijk is dat niet maar de hardnekkigheid waarmee diens werk keer op keer in de literaire wereld opduikt, zegt wel iets. Tijdens zijn leven waren alleen zijn eerste twee boeken - Typeë (1846) en Omoo (1847) - bekend, zeg maar gerust berucht, maar daarna ging het met zijn roem bergafwaarts. Moby-Dick (1851) vond men een vreemd en aanstellerig werk: die overdreven lange tussenstukken over de walvisvaart, die verwijzingen naar de wereldliteratuur, de bijbelse toon, zo moest men maar liever niet schrijven. En daarna Pierre (1852), het verhaal van de jongen die verliefd wordt op zijn halfzusje, een schandelijke mislukking was het, dat stond wel vast. Een krant schreef zelfs dat Melville krankzinnig geworden was. Langzamerhand begon Melville de moed om te schrijven te verliezen. Al zo vaak had hij gehoopt en gerekend op eeuwige roem - zelf was hij absoluut overtuigd van het belang van zijn werk, zeker van boeken als Mardi, Moby-Dick en Pierre - en net zo vaak was zijn hoop de bodem ingeslagen. En vanaf 1858 - hij was pas 39 jaar oud - gaf hij de moed voorgoed op, hij liet zich omscholen tot douanebeambte en schreef alleen nog gedichten, waaronder het vijfhonderd bladzijden lange gedicht Clarel over een pelgrimstocht door Palestina dat hij in eigen beheer uitgaf. Alleen kleine groepjes adepten bleven hem in Amerika en Engeland trouw.

Pas in de jaren twintig van deze eeuw, ruim dertig jaar na zijn dood, keerde het tij toen in Engeland het nagelaten werk Billy Budd werd uitgegeven. D.H. Lawrence schreef een paar enthousiaste artikelen over Melvilles werk en daarmee was hij weer terug in de belangstelling, hoewel die vooral gericht bleef op Moby-Dick. Het verschil met toen is dat nu het héle werk van Melville in de schijnwerpers staat. Je kunt rustig spreken van een herlezing ervan die vooral door schrijvers wordt ondernomen: Melville is een schrijver voor schrijvers. Boeken als The Confidence-Man en Pierre zijn in opzet en uitwerking onnavolgbaar en daarom voor schrijvers voorbeeldig: Melville neemt risico's, dat is het mooie, hij laat zichzelf onverstoorbaar op hol slaan, geeft toe aan zijn grillen, hij begraaft zich met vuur en hartstocht in zijn werk, slaat soms zijpaden in die weer toegang geven tot nieuwe en onvermoede panorama's op de menselijke ziel en tegelijkertijd staat dit werk bol van soms ernstige maar even vaak ironische reflecties over het schrijven zelf.

De hernieuwde belangstelling in Amerika voor deze miskende Yankee valt uiteraard samen met de herontdekking van de periode van grote bloei in de Amerikaanse literatuur rond de tweede helft van de vorige eeuw. Matthiessen schreef er al in 1941 een prachtige studie over die hij de veelzeggende titel gaf The American Renaissance. Schrijvers als Melville, Hawthorne, Poe, Thoreau,Washington Irving, Whitman en Emerson staan in Amerika - en langzamerhand ook in Europa - volop in de belangstelling. En daarbij gaat het minder om het werk zelf dan om de sociale en politieke context waarbinnen het tot stand kwam. Deze schrijvers hadden het gevoel, veel meer dan dat was hiet niet, dat zij bezig waren een geheel 'nieuwe' en 'eigen' literatuur van de grond te krijgen, een echt Amerikaanse literatuur, die de Europese literatuur niet zozeer zou verbeteren maar er nieuw vuur aan zou geven.

Ze rekenden erop dat literatuur in het maatschappelijk debat mee zou gaan tellen. Men meende aan het begin te staan van een belangrijke politiek-sociale beweging waaraan door schrijvers moreel leiding zou worden gegeven. Tegelijkertijd drong in veel van hun werk een sterk gevoel van onbehagen door over de maatschappelijke ontwikkelingen: de industrialisatie, de toenemende invloed van het geldwezen en het Amerikaanse imperialisme dat in die tijd sterk op Midden- en Zuid-Amerika gericht was. Dit onbehagen sloop het werk op kousenvoeten binnen, de schrijvers blonken niet uit in directe politieke betrokkenheid - met Thoreau wellicht als uitzondering - ze zochten het veel meer in poëtisch utopisme (Walt Whitman) of in subtiel psychologisch onbehagen van hun personages.

In The Confidence-Man en Pierre doordringt dit onbehagen de hele opzet en uitwerking. 'The world is the matter', roept Pierre uit wanneer zijn moeder hem vraagt wat er eigenlijk met hem aan de hand is. Deze schrijvers hadden destijds het gevoel dat zij de wereld niet meer in hun macht hadden, dat er beslissende zaken waren die zich aan hun blik onttrokken. Wat dit betreft kan Melville (maar ook Hawthorne) gezien worden als een voorloper van Freud en de hernieuwde belangstelling van tegenwoordig hangt samen met eenzelfde gevoel van onbehagen dat ook nu in kunst en literatuur doorschemert. Wie was Melville? De twee recente biografieën geven een zeer verschillend antwoord. Parker probeert vooral de directe omgeving van Melville in kaart te brengen - diens afkomst, familie, literaire vrienden - omdat hij zo het dichtst bij Melville meent te kunnen komen. Hij geeft een pakkende beschrijving van de jeugd van deze eerst ietwat verlegen jongeman die zowel van vaders als van moeders kant op een voor Amerikaanse begrippen vrijwel perfecte afkomst kon bogen: zijn grootvader van vaders kant - Thomas Melville - nam deel aan de Boston Tea-party, het begin van de Amerikaanse opstand tegen Engeland, en zijn grootvader van moeders kant was een generaal met de wel zeer Nederlandse naam Peter Gansevoort die met succes een fort in de buurt van New York tegen de Engelsen verdedigde.

Het kon allemaal niet misgaan, maar het ging wel mis. Zijn vader joeg het familiefortuin erdoor en Hermans familie moest proberen de eindjes aan elkaar te knopen. Dit betekende dat hij niet naar een goede school kon. Vanaf zijn veertiende werkte hij: onder andere als bediende in de bontzaak van zijn broer,als houthakker en zelfs als onderwijzer. Uit armoede beleefde hij de avonturen die hem later in één klap beroemd en berucht maakten. Hij deserteerde van zijn schip en verbleef in de Pacific noodgedwongen een paar weken tussen de kannibalen. Hiervan bracht hij later verslag uit in Typee en Omoo, eigenlijk wat onhandig geschreven reisboeken over de avonturen van een zeeman, maar toch dringt er al iets door van Melvilles ongegeneerde aanpak: de beschrijving van de halfontklede en pijprokende dochter van een inboorlingenhoofdman waarmee het hoofdpersonage een boottochtje maakte en in een hutje woonde, moet destijds in het puriteinse Amerika diepe indruk hebben gemaakt. Een schandaal bleef niet uit, er verschenen nauwelijks bedekte toespelingen op de seksuele achtergrond van Melvilles avonturen, zo erg zelfs dat Parker hem het eerste Amerikaanse sekssymbool noemt. Ook Melvilles aanvallen op de praktijken van de missionarissen in de Pacific zetten kwaad bloed. Toch was dit alles geen beletsel voor zijn huwelijk met Elizabeth Shaw, de dochter van een gefortuneerde bestuurder uit Boston.

Bij Parker geen uitvoerige karakterologische bespiegelingen over Melville, wel doemt uit de geweldige hoeveelheid feiten en feitjes van zijn biografie langzamerhand een interessant en overtuigend beeld op van de dagelijkse omstandigheden en hang-ups van de Amerikaanse culturele elite uit de negentiende eeuw waarover in Europa, ook nu nog, nauwelijks iets bekend is. Maar hij gaat wel eens wat ver in zijn weetjesdrift. Uitvoerig beschrijft hij de gezelschappen waarin Melville verkeerde, de cafés die hij bezocht, soms met de weergave van de interieurs erbij. Hij noemt alle gasten op bij diens bruiloft en geeft zelfs een lijst met alle namen van de bemanningsleden op de walvisvaarder waarmee Melville zijn befaamde reis maakte, waarbij hij ook nog een tweedeling maakt tussen bemanningsleden die op hetzelfde schip terugkwamen en zij die op andere schepen terugkwamen (onder wie Melville).

Zoiets werkt bij mij sterk op de lachspieren, maar ik krijg er tegelijkertijd geen genoeg van en wil nog veel meer weten. Heel mooi is bijvoorbeeld ook Parkers zoektocht naar een dichtbundel die één van de bemanningsleden later over deze reis publiceerde en wanneer hij hem vindt meldt hij tevreden dat Melville er niet in voorkomt. Zo kom je nog eens iets te weten! Fraai en overtuigend brengt hij de grote opwinding in beeld waarin Melville bij het schrijven van zijn boeken verkeerde. Er was dan geen land met hem te bezeilen, 'the book! - the book - what will become of the Book', aldus steunend ijsbeerde hij door de kamer, schrijft zijn zus Augusta aan een familielid toen hij met Moby-Dick bezig was. Parker schetst Melville als een sociaal mens, betrokken bij zijn kinderen, een verbluffend verteller, prettig gezelschap, maar wel onbeholpen wanneer het op geld aankwam, hij maakte zonder dat zijn vrouw het wist grote schulden.

Laurie Robertson-Lorant tapt in haar biografie uit een heel ander vaatje. Bij haar wel uitvoerige verhandelingen over Melvilles karakter en zelfs een apart hoofdstuk over diens seksualiteit. Ze beweert dat Melville vermoedelijk homoseksueel was, wat pas op latere leeftijd duidelijk werd. Wat dit, voor zover het waar en van belang is, met Melvilles werk te maken heeft, weet ze op geen enkele manier te onderbouwen, maar ze vindt het wel nodig hierover eindeloos en vruchteloos te speculeren. Bij haar gaat het meer om de mens Melville, dan om de omstandigheden waaronder iemand in een bepaalde historische periode schrijver probeert te zijn (en te blijven). Ongetwijfeld zal Parker in zijn nog te verschijnen tweede deel meer op Melvilles persoonlijk leven moeten ingaan, in dit deel valt daarover nog geen onvertogen woord, maar hij kan niet heen om de tragische gebeurtenissen in diens latere leven: in de familie ontstaat grote paniek als hij zijn vrouw blijkt te mishandelen en zijn oudste zoon pleegt zelfmoord. Wanneer hij in 1891 sterft is hij volledig vergeten. In Nederland hoort alleen Moby-Dick tot de canon, velen kennen de grote lijnen van het verhaal, meestal uit een ingekorte versie, bijvoorbeeld die van de 'Illustrated Classics' of de enigszins potsierlijke verfilming ervan uit de jaren zestig met Gregory Peck als de op hol geslagen Ahab. Ook de prachtige eerste zin is langzamerhand tot het Nederlandse culturele erfgoed gaan horen. Kende iemand in Nederland Melvilles werk toen hij in 1857 hier op het einde van zijn reis door Palestina en Europa hier een paar dagen verbleef? Moby-Dick? Pierre? Waarschijnlijk niet, Amerikaanse literatuur werd hier destijds volstrekt genegeerd. Melville bezocht Amsterdam, hij maakte er aantekeningen over in een soort reisdagboekje dat niet voor publicatie bestemd was. Hij logeerde in de Warmoesstraat, ging naar de belangrijkste musea en reisde daarna per trein snel door naar Rotterdam, waar hij even in een danshuis was. An American in Holland. Ja, hij bezocht het Paleis op de Dam, klom naar boven, dat mocht toen nog, en keek, staande in de koepel bovenop het Paleis, lange tijd uit over Amsterdam.

Gebruikte literatuur

- Herman Melville: Pierre or the Ambiguities, teksteditie Hershel Parker, HarperCollins, New York 1995 - Herman Melville: Pierre or the Ambiguities, Penguin Classicreeks, New York/Londen 1996 - Herman Melville: De Maskerade, Atheneum-Polak & Van Gennep, vertaling Anneke Brassinga, verschijnt in april 1997 ƒ 55,- - Elizabeth Renker: Strike through the Mask, John Hopkins University Press, Baltimore/Londen 1996 - De Revisor 1996 nr. 5: De ongekende Melville, pp. 29-81.