Stijging van olieprijs versluiert zicht op Shell-rendement

DEN HAAG, 14 FEBR. Op het hoofdkantoor van de Koninklijke/ Shell Groep in Den Haag vloeide de champagne, toen de koers van het aandeel Koninklijke Olie op de Amsterdamse beurs door de grens van 200 gulden ging. Dat ritueel werd herhaald bij het passeren van de 300 gulden-grens, maar de champagne had inmiddels een beetje een bijsmaak gekregen. De functionarissen van de Nederlands-Britse oliemaatschappij waren een beetje moe van de vragen van beleggers of het aandeel zou worden gesplitst.

Gisteren kwam het antwoord: ja, het aandeel wordt gesplitst en wel in vier stukken. Voor beleggers wordt het makkelijker om een aandeel Koninklijke te kopen, want het scheelt nogal of je 346 gulden betaalt of een kwart daarvan (ruim 86 gulden).

De geste van Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij past in de brede trend in het Nederlandse bedrijfsleven om het de aandeelhouders meer naar de zin te maken. Shareholders value is onder bestuursvoorzitters het Angelsakische toverwoord, dat afgelopen week weer vaak te horen was. Unilever stoot zijn chemiebedrijven af, Philips stelpt bloedende wonden en KNP BT belooft een fors hoger rendement na eerder een verzelfstandiging van de papierdivisie te hebben aangekondigd.

De naar schatting 325.000 beleggers in Koninklijke Olie toonden zich gisteren tevreden: op de Amsterdamse effectenbeurs stegen de Olie-aandelen 3,5 procent tot 347,50 gulden. Daarvoor was niet alleen de splitsing verantwoordelijk. De winst van 5,7 miljard pond (15 miljard gulden) was de hoogste die Koninklijke/Shell ooit heeft behaald. Het dividend van 10,55 gulden was niet alleen hoger dan in 1995 (9,50 gulden), maar ook 0,25 gulden meer dan beleggingsanalisten hadden getaxeerd. Een kwartje dividend scheelt omgerekend al gauw 8 gulden in de koers.

Beleggers beoordelen de prestaties van een onderneming voornamelijk op het rendement, ofwel de netto winst als percentage van het geïnvesteerde vermogen. De Koninklijke/Shell Groep, eigendom van het Nederlandse Koninklijke Olie (60 procent) en het Britse Shell (40 procent), hanteert een norm van 12 procent. President-directeur C. Herkströter herhaalde gisteren zijn toelichting van vorig jaar, dat 12 procent een gemiddelde is: bestaande activiteiten moeten 15 procent scoren zodat nieuwe investeringen met de onvermijdelijke aanloopverliezen tijdelijk minder mogen opbrengen.

Op het eerste gezicht gaat het met de rentabiliteit prima. Vorig jaar kwam Koninklijke/Shell uit op 13,2 procent, nadat de score over 1995 op 10,6 procent was blijven steken. De beoordeling wordt echter bemoeilijkt door de stijging van de olieprijs vorig jaar, van 16 dollar tot meer dan 20 dollar per vat. De duurdere olie is uiterst gunstig voor de exploratie-poot van de oliemaatschappij, die meer geld krijgt voor de opgepompte olie, en minder gunstig voor onder meer de raffinaderijen, die een hogere inkoopsprijs betalen.

Per saldo heeft de hogere olieprijs een positief effect gehad op het resultaat van Koninklijke/ Shell, maar hoeveel is nauwelijks te berekenen. Zo is de opbrengst van de olie in geld weer gedrukt door de daling van de dollar (de eenheidsprijs voor olie) tegenover het Britse pond (het pond ging vorig van 1,55 naar 1,71 dollar), de munt waarin Koninklijke/ Shell rapporteert. “In het vierde kwartaal steeg de olieprijs met 39 procent, maar ging ons resultaat bij de exploratie met 93 procent omhoog”, trachtte Herkströter het olie-effect te relativeren.

De vraag is of Koninklijke/Shell de 12 procent had gehaald bij een olieprijs van 16 dollar. Waarschijnlijk niet, denken de meeste analisten, die vermoeden dat de oliemaatschappij rond de 11,5 procent gescoord zou hebben. Dat is niettemin een flinke verbetering, die het gevolg is van de kostenbesparingsprogramma's waarmee Shell bezig is. De chemietak blijft echter een probleemkind, dat ook vorig jaar voor een tegenvaller zorgde.

Een in de Verenigde Staten beproefde methode om het rendement op te krikken is het verkleinen van het geïnvesteerde vermogen. De Amerikaanse oliemaatschappij Exxon, in omvang en karakter goed vergelijkbaar met Koninklijke/Shell, heeft de afgelopen jaren eigen aandelen ingekocht. Shell heeft 12,3 miljard dollar in kas, waarvan 3 miljard is gestort op een rekening voor een project en 2,5 miljard is gereserveerd voor een verzekering en pensioenverplichtingen in Duitsland.

De 7 miljard die vrij beschikbaar is kan in theorie worden gebruikt voor de inkoop van aandelen. In Nederland is dat fiscaal onaantrekkelijk, omdat de belegger belasting moet betalen over het verschil tussen verkoopprijs en nominale waarde (nu nog 5 gulden). “We zouden dit instrument graag aan ons arsenaal toevoegen, reden waarom we al lang aandringen op aanpassing van de fiscale regels”, zei bestuurder M. van den Bergh.

Shell doet niet mee met het grote kwartetspel van kopen en verkopen, waarmee het Nederlandse bedrijfsleven de doorzichtigheid en de aandeelhouderswaarde wil vergroten. De oliemaatschappij koopt en verkoopt, maar daarbij gaat het om aanpassingen en niet om strategische heroriëntaties.

Voor beleggers springt de splitsing voorlopig het meest in het oog. Het aanvankelijk idee was om het aandeel in tweeën te splitsen, maar toen de koers maar bleef stijgen werd besloten om ook dat maar weer in tweeën te delen.

De blikken zijn nu gevestigd op Unilever. Vanmorgen speculeerden beleggers al op een splitsing van dit aandeel, waardoor de koers met bijna een tientje opliep tot 346 gulden. Bij Shell gniffelen ze om de vragen die Unilever nu krijgt en wordt de champagne vast koud gezet voor als het gesplitste aandeel de 100 gulden-grens doorbreekt.