Sirene 4

Tussen de bomen stond een houten gebouwtje, witgeschilderd en met een puntdak. Bij de ingang hing een plakaat waarop geschreven stond dat dit oorspronkelijk een kerkje van de Jezuïeten was geweest, die van hieruit hadden getracht de aborigines te bekeren. Maar in 1911 had het God behaagd het kerkje te laten verwoesten door een orkaan, waarna het was herbouwd als een 'non-denominational church'.

“Wat betekent non-denominational?” vroeg Alice.

“Tsja, dat weet ik ook niet. In Nederland heette dat vroeger, geloof ik: voor alle gezindten. Zoiets moet het zijn.”

De deur was open. Wij liepen naar binnen en plotseling bevonden wij ons in een serene ruimte. Er waren enkele rijen banken opgesteld, maar er was niemand. Op de plaats van het altaar stond niet meer dan een toonbank met een wit kleed er over. Alles ademde eenvoud, maar wat dit gebouwtje bijzonder maakte, was het grote raam dat in de achterwand was uitgespaard. Zittend op een van de bankjes keek je rechtstreeks over de oceaan. Vanaf deze plek zag je de stranden met de mangroves, de zee, en heel in de verte de kaap waarlangs je naar Fak Fak kunt zeilen. Zonder iets te zeggen namen wij plaats en bleven enige tijd zitten.

“Ik heb honger”, zei Alice tenslotte, “laten wij iets gaan eten.”

We stonden op en verlieten het gebouwtje. We liepen door naar het dorp, waar we een klein restaurant vonden. Daar werden we bediend door een meisje in een T-shirt en een spijkerbroek. Zij bracht ons de kaart met een vrolijkheid die aanstekelijk werkte. We zochten de wijn uit en bestelden een groot bord met krab en oesters.

“Jullie komen uit Holland”, zei het meisje in het Engels, terwijl ze de schalen op onze tafel zette. “Ik spreek zelf geen Nederlands, maar ik kan wel horen dat het Nederlands is. Mijn moeder is Nederlandse, zij is in Roosendaal geboren.”

De krab en de oesters waren heerlijk, en ook de wijn was uitstekend. Het werd donker, sneller dan je zou verwachten, en om de lamp cirkelden al de eerste nachtvlinders, sommige zo groot als de vuist van een hand. Het meisje bracht ons de rekening.

“Wacht even”, zei Alice tegen het meisje, “wacht even. Ik zou je iets willen vragen. Ik zou je willen vragen ons te helpen met een probleem. Nou ja, een probleem is het eigenlijk niet en je moet er ook niets achter zoeken, maar als alles verloopt zoals wij hopen dat het verloopt, zullen wij morgen trouwen.”

“That's nice!” zei het meisje.

“That's inderdaad nice,” zei Alice, “alleen hebben wij nog geen getuigen. En nu willen we jou vragen of jij morgen misschien als getuige bij ons huwelijk wilt optreden.”

“Oh yeah!” riep het meisje, “dat is een hele eer. Zeg maar waar ik morgen aanwezig moet zijn.”

“Tsja”, zei de vrouw die morgen mijn vrouw zou worden, “waar wij precies trouwen en hoe laat, dat weten wij nog niet, maar als je mij je telefoonnummer geeft, dan zullen we je bellen, zodra wij iets weten.”

Het meisje schreef haar telefoonnummer op een papiertje.

“Dat is dan geregeld”, zei Alice tevreden, “en, oh ja, hoe heet je eigenlijk?”

“Jemma”, antwoordde het meisje, “Jemma with a gee.”

“Ah, Gemma! Een echte Hollandse naam”, zei ik.

We namen afscheid. Het was inmiddels helemaal donker geworden.

“Dat is één getuige”, zei Alice, terwijl we naar het hotel liepen, “nou de andere nog.”

“Ben je nog niet zenuwachtig?” vroeg ik.

“Een beetje”, zei ze, “het is per slot mijn eerste keer.”

“Voor mij ook. En je weet hoe het is: onervaren mannen zijn de eerste keer soms erg ruw.”

“Dan laten ze het aan een oudere vriend over. Zou je dat willen?”

“Nee, dat niet”, zei ik haastig.

Maar vanavond gaan wij vroeg naar bed. Morgenochtend komt onze Marriage Celebrant naar het hotel en dan moeten we fit zij. Het wordt een drukke dag.''

Zij leek volkomen zeker van de goede afloop.