Shell-topman zingt lof van Nederlands beleid

DEN HAAG, 14 FEBR. Shell Nederland is van alle dochtermaatschappijen van de Shell Groep een van de beste performers geweest, met een winststijging van 39,1 procent. De netto winst steeg van 1,837 miljard gulden in 1995 naar 2,556 miljard in '96, tien procent hoger dan het gemiddelde voor het hele concern. Maar belangrijker nog is, zoals een trotse president-directeur ir. J.J. Slechte zich gisteren liet ontvallen, dat het rendement op het geïnvesteerd vermogen fors uitstijgt boven dat gemiddelde.

Twee jaar geleden toonde president-directeur drs. Cor Herkströter van de Koninklijke/Shell Groep zich ernstig bezorgd over dat rendement, dat achterbleef bij de groei van het geïnvesteerd vermogen en bij dat van belangrijke concurrenten. Gisteren kon hij opgelucht een inhaalslag melden: het gemiddeld rendement van het hele concern lag in 1996 op 13,2 procent, 1,2 procent hoger dan Herkströters norm van 12 procent.

Het Nederlandse bedrijf van Jan Slechte zit daar nog ruim boven, waarschijnlijk tegen de 15 procent. Het preciese cijfer maakt Shell niet bekend, want op de Amerikaanse dochtermaatschappij Shell Oil na worden geen gedetailleerde gegevens van dochters gepubliceerd.

Shell Nederland presteert belangrijk beter door een hoog investeringsniveau, het aantrekkelijke Nederlandse fiscale klimaat met ruime mogelijkheden voor investeringsaftrek en de gematige loonontwikkeling, legde Slechte gisteren uit. Tegelijkertijd werkt het Nederlandse bedrijf hard aan kostenreductie, vermindering van het vaste personeelsbestand en uitbesteding van werk aan toeleveringsbedrijven.

Voor een klein deel is de winstsprong in Nederland ook te danken aan een meevaller: de terugbetaling door Duitsland voor een te groot volume aardgas dat de afgelopen decennia aan de Oosterburen is geleverd uit het gasveld in Slochteren. Dat veld ligt voor een klein deel onder het Duitse deel van het Eems-Dollargebied. In juni kreeg Nederland als gevolg van een internationale arbitrageprocedure een eerste terugbetaling van Duitsland: 3,75 miljard gulden. Verreweg het grootste deel daarvan gaat rechtstreeks naar de staat, door het grote staatswinstaandeel (90 procent) dat de de producent in Slochteren, de Nederlandse Aardolie Maatschappij, een dochter van Shell en Esso, aan Den Haag moet afdragen. De rest wordt verdeeld tussen de twee aandeelhouders. Hoe hoog dat bedrag precies is kon Shell Nederland vanochtend nog niet meedelen.

Een van de grootste inkomstenbronnen van Shell in Nederland is de verkoop van motorbrandstoffen waarin het bedrijf marktleider is met een aandeel van zo'n 35 procent. De raffinage van olieprodukten door Shell Pernis, een van de grootste raffinaderijen ter wereld die ook voor veel export zorgt, was vorig jaar door krappe marges nog verliesgevend. Maar de fabriek wordt voor een bedrag van 3 miljard gulden en nog eens 800 miljoen aan milieuvoorzieningen gemoderniseerd. Die investering levert een hoge aftrek van de belastbare winst op.

Shell Pernis is ingericht op verwerking van vooral zware oliesoorten uit het Midden-Oosten. Door toepassing van moderne technieken, zoals de Hycon-fabriek en nieuwe kraakinstallaties, haalt het bedrijf veel meer lichte produkten als benzine, kerosine en dieselolie uit een vat olie. Jan Slechte verwacht dat het prijsverschil tussen zware en lichte oliesoorten de komende jaren groter zal worden, waardoor het resultaat van Pernis wordt opgekrikt.

Tegelijk investeert Shell Nederland flink in de chemie door samen met BASF een nieuwe fabriek voor styreen en propeenoxyde in Moerdijk te bouwen. Een volgend project, waarover hij dit jaar nog een beslissing verwacht, is een forse uitbreiding van de kraakinstallatie in Moerdijk, voor de produktie van etheen en propeen, grondstoffen voor veel chemische produkten.

Zo'n twintig jaar lang hebben Nederlandse industriëlen een klaagzang aangeheven over het investeringsklimaat in Nederland, maar uit de woorden van Jan Slechte blijkt dat daarin nu een grote verandering is gekomen. Hij prees de regering gisteren voor haar begrip dat de Nederlandse industrie internationaal moet concurreren, voor de fiscale faciliteiten, het gematigde loonklimaat en zelfs het “succesvolle” milieubeleid.

“We moeten nu in Nederland meer gaan doen: een herijking van het beleid, het mobiliteitsprobleem aanpakken en de kennisinfrastructuur verbeteren, vooral het technisch onderwijs.”