SEP-directeur pleit voor heffing op elektriciteit

DEN HAAG, 14 FEBR. Bij de elektriciteitsvoorziening in een vrije markt zal de overheid een krachtig beleid moeten ontwikkelen om het milieu te ontzien en voldoende duurzame energie (zon, wind, waterkracht, biomassa) te ontwikkelen. Om die inspanningen te betalen is een algemene toeslag, een 'bestemmingsheffing' op de energietarieven nodig.

Dit zegt directievoorzitter ir. N.G. Ketting van de Samenwerkende Elektriciteits Produktiebedrijven (SEP). Ketting hoopt dat de Tweede Kamer, die maandag het beleid van minister Wijers (Economische Zaken) voor de toekomstige elektriciteitsvoorziening bespreekt, de nadelige gevolgen van een vrijere energiemarkt wil corrigeren door een krachtige rol van de overheid.

In de nota's van minister Wijers is hiervoor “te weinig aandacht”, vindt Ketting. In die plannen ligt nu te veel nadruk op de terugtredende overheid, “maar we hebben in de geliberaliseerde markt juist een actieve overheid nodig die een lange-termijnbeleid voor energie formuleert en erop toeziet dat dit ook wordt uitgevoerd”.

Hij wijst erop dat nieuwe, particuliere spelers op de stroommarkt zich vooral zullen richten op korte-termijnresultaten. “Ze kunnen niet anders dan hun aandeelhouders plezieren. Dat betekent dat ze niet zitten te wachten op projecten voor duurzame energie die pas op langere termijn rendabel worden.”

Tegelijkertijd heeft de overheid, zoals in de Derde Energienota uiteengezet, belangrijke doelstellingen zoals energiebesparing, milieubeleid en duurzame energie, zegt de SEP-topman. “Als de markt het wat dit betreft laat afweten, heeft de overheid de plicht om zelf het ontbrekende tot stand te brengen.” Voor die benadering is ook in de Europese richtlijn voor liberalisering van de elektriciteitsmarkt, eind vorige maand in werking getreden, ruim baan gegeven door een artikel over publieke dienstverlening, onderstreept Ketting.

De SEP heeft in de afgelopen periode enkele projecten opgezet in het belang van een zuiniger gebruik van energie en een schoner milieu, zoals de kolenvergassingscentrale in het Limburgse Buggenum, die nog niet rendabel zijn. Dat geldt ook voor bosbouwprojecten in Nederland en het buitenland die zijn bedoeld als compensatie voor de Nederlandse uitstoot van het broeikasgas kooldioxyde.

In het beleid van minister Wijers past volgens ir. Ketting dat het op te richten orgaan dat gaat toezien op de exploitatie van het elektriciteitsnet, ook zorgt voor uitvoering van een nieuw energiebeleid, waaraan elke marktpartij naar vermogen moet bijdragen. Maar van particuliere stroomproducenten die bijvoorbeeld alleen een gasgestookte centrale exploiteren, kan geen bijdrage aan duurzame energievormen worden verwacht, zegt Ketting. Evenmin is dat het geval met ondernemingen die stroom uit het buitenland importeren. Toch wil minister Wijers dat de bijdrage van duurzame energievormen over 20 à 25 jaar wordt vertienvoudigd tot 10 procent van het totaal.

De nieuwe heffing die de SEP-directeur verdedigt stelt de overheid in zijn ogen in staat “zich als marktpartij op te stellen”.

De besteding van de opbrengst zou vervolgens democratisch door de Tweede Kamer, die zelf het energiebeleid vaststelt, worden gecontroleerd. Een eis die Ketting daarbij stelt is dat het nieuwe systeem niet concurrentieverstorend werkt en in de pas loopt met de Europese richtlijn die binnenkort door de lidstaten in nieuwe wetgeving wordt vertaald. Op het ministerie van Economische Zaken wordt al gewerkt aan een nieuwe Elektriciteitswet.

Kernpunten in de vrije energiemarkt, die wat de Nederlandse regering betreft zo snel mogelijk intreedt, zijn meer concurrentie, vrije import en export van elektriciteit en aardgas, toegang van marktpartijen tot de transportnetten van de SEP, van de distributiebedrijven en van de Gasunie, het verdwijnen van monopolieposities en een vrije keuze van energieleveranciers.