Schuldvraag

VIJFENTWINTIG JAAR GELEDEN opperde een rechtsgeleerde al dat het verzadigingspunt was bereikt in de slepende discussie over de schadevergoeding bij verkeersongevallen. Dat was te optimistisch, getuige de beroering die is ontstaan door het voornemen van het kabinet om zwakkere verkeersdeelnemers een betere juridische bescherming te geven.

De afhandeling van verkeersschade verdient verbetering, daar is iedereen het snel over eens. De wijze waarop de bescherming dient te worden gerealiseerd blijft onverminderd een splijtzwam.

Het kabinet wil bij ongevallen tussen een motorrijtuig en een voetganger of fietser een zogeheten risico-aansprakelijkheid invoeren. De automobilist wordt als sterkere verkeersdeelnemer in beginsel geheel aansprakelijk voor de letselschade - ook als hem geen blaam treft. Alleen als het slachtoffer volstrekt onverantwoord heeft gehandeld, vervalt het recht op schadevergoeding.

Omdat de schuldvraag wegvalt en de aansprakelijkheid dus bij voorbaat vaststaat, verwacht het kabinet dat verkeersschade sneller kan worden afgehandeld. Nu moeten slachtoffers vaak te lang wachten en blijft te veel schade onvergoed.

DE SCHULDVRAAG was bij verkeersschade al een heel stuk losgelaten door de Hoge Raad. Toch stuit de voorgenomen algehele afschaffing op bedenkingen. Is dit niet een premie op wangedrag van voetgangers en fietsers? Is het niet onbillijk tegenover automobilisten die geheel buiten hun schuld hun no-claimkorting van de verzekering kwijt raken? Het antwoord op de eerste vraag zou wel eens minder kunnen liggen in de regels van het verkeersrecht dan in de fysieke drang tot lijfsbehoud. De beloning voor goed verkeersgedrag ligt bij invoering van risico-aansprakelijkheid inderdaad moeilijk, maar juridisch-technisch gezien lijken daarvoor toch wel modaliteiten denkbaar te zijn.

Het grote argument voor het schrappen van de schuldvraag is dat deze te vaak neerkomt op een loterij. Mensen draaien op voor het toeval dat fouten die wij allen als verkeersdeelnemer maken, tot een ongeval kunnen leiden. Maar het mes snijdt bovendien aan twee kanten. Slachtoffers kunnen met de schade blijven zitten op grond van de omstandigheid dat zij het bewijs van de schuld van de tegenpartij niet kunnen leveren. Al was het alleen al omdat verkeersongelukken zich vaak in fracties van seconden voltrekken.

ZOU INVOERING van een verplichte verkeersverzekering voor alle weggebruikers dan niet eerlijker zijn? Daartegen pleiten twee argumenten. Het zou Nederland binnen Europa in een uitzonderingspositie plaatsen. En het is niet afdoende te controleren of voetgangers en fietsers over een polis beschikken. Invoering van een verkeersverzekering lost het probleem van de lange tijd die de afwikkeling van verkeersschades vergt bovendien niet op. Deze lange duur houdt namelijk vooral verband met kwesties van causaliteit (in hoeverre is het letsel veroorzaakt door het ongeval?) en het vaststellen van de omvang van de schade. Met name in het geval van blijvende invaliditeit kunnen herhaalde medische onderzoeken nodig zijn - en dat vraagt nu eenmaal tijd.

Dit bezwaar geldt evenzeer voor het loslaten van de schuld als criterium voor aansprakelijkheid. In 1995 gaf minister Sorgdrager (Justitie) ook volmondig toe “dat de terecht gesignaleerde problemen die verband houden met de lange duur van de afwikkeling van verkeersschades niet worden opgelost door het afschaffen van de schuldaansprakelijkheid”. Maar waarom focust het kabinet nu dan toch op afschaffing van de schuldvraag?