Roman van Caryl Phillips; Een legpuzzel die niet wil passen

Caryl Phillips: The nature of Blood. Faber and Faber, 213 blz. ƒ 40,80

In Phillips' nieuwste roman lijkt het allereerst te gaan over de genese van de staat Israel. Op een strand in Cyprus hunkeren twee jongemannen naar hun nieuwe vaderland, nog maar zo'n klein stukje varen weg. Eén van hen is een kind, de ander een man met een verleden als joods verzetsstrijder (hij heet Stephan Ernst maar dat zullen we pas later weten), maar ook een persoonlijk verleden (vrouw, kind, een broer met twee dochters).

In een volgend fragment verschuift het perspectief binnen ongeveer dezelfde tijd, vlak na de oorlog dus, naar een van die beide nichtjes, Eva, die we zien als een van de weinige overlevenden van een Duits vernietigingskamp. Het is die bizarre periode van desoriëntatie en onvermogen de vrijheid te beleven, eerder bij ons door iemand als Durlacher zo fraai beschreven. Vanuit Eva's perspectief zien we de Britse soldaten het kamp binnenkomen. Eén van hen, Gerry, is buitengewoon geïnteresseerd in het knappe, half-dode meisje en belooft zijn best te doen haar zuster op te sporen.

Maar dan verschuift het perspectief naar het quattrocento Venetië, en naar een incident dat uiteindelijk zal leiden tot de executie, door openbare verbranding, van drie joden die verdacht worden van het doden van een christelijk jongetje en het ritueel drinken van diens bloed. Menig lezer zal even moeten slikken wanneer daarna ook nog eens als extra dimensie het verhaal van Othello opduikt, de Venetiaanse Moorse krijgsheer die, ditmaal in de ik-vorm, vertelt van zijn verblijf in de stad van zijn broodheren en zijn beantwoorde liefde voor de mooie Desdemona.

Phillips laat al deze verhalen vervolgens alterneren zonder dat ze ergens (kunnen) overlappen. We volgen het spoor van Eva's gedoemde familie terug tot hun leven in een Duits getto, via gruwelijke beschrijvingen van leven en dood in het vernietigingskamp en dan weer in het heden, tot Eva's zoektocht naar dezelfde Britse soldaat die (ook) beloofd heeft haar te huwen. Dat loopt gruwelijk af, zoals het met de drie joden in Venetië gruwelijk afloopt. Alleen Othello's belevenissen worden abrupt en nog redelijk idyllisch afgebroken op (ziedaar, alweer) een strand op Cyprus.

Ten slotte maakt Phillips zijn vertelling weer bevredigend rond door terug te keren naar de man met wie de roman begon: oom Stephan, die in een heden in Tel Aviv als bejaarde, eenzame Israeli contact maakt met een Falasha, een jonge vrouw die als danseres in een club werkt, die hem een totale vreemde blijft tijdens een nachtelijk samenzijn, maar hem een bescheiden inzicht schenkt in haar benarde leven als derderangs burger in het beloofde land.

Het wordt allemaal als een legzpuzzel gepresenteerd die de redelijk ervaren romanlezer van heden niet voor problemen zal stellen, maar die uiteindelijk, ondanks alles wat overhoop gehaald wordt, weinig bevredigend en vooral tamelijk toevallig overkomt (hoezo Venetië? Waarom niet Polen, waarom niet Portugal, waarom niet....)

Methode noch thematiek zijn verrassingen voor wie het werk van deze Westindische schrijver enigszins heeft gevolgd. We zijn eraan gewend dat hij niets minder dan de hele wereld als zijn onderwerp beschouwt. Vrijwel zijn gehele oeuvre heeft migratie, diaspora, ontheemding als thema. En ook in vorige romans als Crossing the river, Higher Ground en - tot op zekere hoogte - Cambridge hanteert hij die methode van nevenschikkende vertellingen. Deze ogenschijnlijk zo simpele methode is - zeker op de manier waarop Phillips haar hanteert - in feite uiterst pretentieus. De juxtapositie van ontwikkelingen in verschillende eeuwen en op verschillende continenten mag, nee moet de lezer doen vermoeden dat er een idee aan ten grondslag ligt. Alleen is de formulering van dat idee aan hemzelf overgelaten. Dat de menselijke barbaarsheid van alle tijden is? Dat zelfs de joden, net als 'gewone mensen', niet vrij zijn van de rassenwaan die dikwijls aan die barbaarsheid ten grondslag ligt? Tja, met die formuleringen legt die lezer niet veel eer in. Maar de auteur kijkt de andere kant op en wast zijn handen.

Ik schrijf dit vanuit het besef dat ik een eurocentrisch wereldbeeld heb en bovendien tot een generatie behoor die is opgegroeid met een overdaad aan informatie over de gruwelen van de vernietigingskampen en de diepere historie van rassenwaan. Probeer als jonge Westindiër óns maar eens te verrassen met iets dat we hierover niet al weten, met andere woorden. Maar ik kan met de beste wil van de wereld niet zeggen dat Phillips met dit boek iets aan inzicht heeft toegevoegd.

Had hij zich in The nature of blood beperkt tot het relaas van de familie Ernst, dan had hij de meesterlijke roman kunnen schrijven die hij nu alleen maar bij vlagen is. Hij is een mooi stylist, en iemand die juist op de vierkante centimeter tot veel inleving in staat blijkt. De slotepisodes in Tel Aviv, de aanzet tot Eva's zelfmoord, en eerder in het boek de tedere beschrijvingen van haar ouders en hun meegaande houding wanneer de verschrikkingen om hen heen steeds erger worden - wie het leest, herkent het toetsenbord van de echte schrijver. Maar Phillips loopt gevaar als schrijver voorgoed met het epitheton 'belangrijk' opgezadeld te worden - omdat hij grote thema's durft aan te snijden. Dat doet hij inderdaad - zonder zich blijkbaar te realiseren dat hij daarmee zijn zwakste kant laat zien.