Protestantse bikkels

Max Dohle: Op het ijs. Prometheus, 194 blz. ƒ 24,90

Het Enige Echte Elfstedentocht Logboek 97. Bosch & Keuning/De Tille, 78 blz. ƒ 14,90

Heldenstrijd in ijzige wind. Tirion- Baarn, ongenummerd. ƒ 17,50

De tocht der tochten. Van Wijnen-Franeker, 144 blz. ƒ 26,50

Hugo de Groot wist het drie eeuwen geleden al: Nederlanders ontdooien op het ijs. 'Op het ijs hebben wij het ware vuur gevonden. Warmte heerst op de bevroren wateren', schreef hij in 1637.

Het citaat is afkomstig uit Koud tot op het bot, een kostelijk boek dat twintig jaar geleden een tentoonstelling begeleidde van zestiende en zeventiende-eeuwse winterlandschappen.* Avercamp, Jan Steen en Ruijsdael: de Hollandse meesters die ijstaferen vastlegden, behoren onlosmakelijk tot het vaderlandse cultuurbezit. We kennen ze en we koesteren ze.

Schaatsen op de Gouwzee, in de polders bij Broek in Waterland of op de plassen bij Nieuwkoop is elke strenge winter opnieuw een sensatie: het is net of je opgenomen bent in een Avercamp, een Jan Steen of een Ruijsdael. Diezelfde luchten, diezelfde mensen en diezelfde vrolijkheid. Opeens sta je in een traditie van eeuwen, voel je je Hollander en ontdek je dat je door de kou ontdooit.

Tot je in een wak rijdt, je thuis bij de kachel moet opwarmen en denkt: ik pak een boek en droom weg met een mooi schaatsverhaal. Mooi niet: je hebt Gewassen Vlees van Thomas Rosenboom uitgeleend, Vestdijks Terug tot Ina Damman staat in de bibliotheek en Godfried Bomans' hilarische schaatsverhaal kun je zo gauw niet vinden. Zoveel ijs, zoveel winters en niet eens een boek met wat de Nederlandse literatuur aan schaatsverhalen heeft voortgebracht.

Een schande is het, of liever was het, want het boek is er inmiddels. Schaats- en literatuurliefhebber Max Dohle heeft 'de mooiste schaatsverhalen uit de Nederlandse literatuur' verzameld'. Op het ijs heet de bundel trefzeker. Dohle heeft zijn selectie bewust beperkt tot verhalen die zich afspelen op natuurijs. 'De rest is immers slechts kunst', verantwoordt hij zich in zijn inleiding.

Ik deel zijn keuze op één onderdeel na. Verhalen van A.F.Th. van der Heijden ('Orgie op zondag', 'Een poging tot onthechting') en Hermine de Graaf ('In verzekerde bewaring') had hij moeten weglaten. Zeker, het is prachtige literatuur, maar verhalen die zich afspelen op dubieuze ijslocaties als de Peel en een ven bij Groesbeek, horen niet in de bundel thuis. Schaatsen op natuurijs doe je in Nederland boven de rivieren, eronder wordt alleen gekrabbeld. Sterker nog: schaatsen is in zijn oerbeleving iets van protestanten. Katholieken beulen zich af op de racefiets. Sla er de uitslag van de laatste of eerdere Elfstedentochten maar op na: naar plaatsen als Maastricht, Venlo of Breda moet je lang zoeken. Nee, de wedstrijdrijders komen uit oorden als Gramsbergen, Rouveen of Oldebroek, buitenplaatsen die stevig in de bible belt zijn verankerd.

Op het ijs spiegelt en schittert als een zwarte ijsvloer bij winters zonlicht. Dohle koos voor een mix van lichtvoetig en zwaar, proza en poëzie en nog een enkel essay. Een verzameling van Vestdijk tot Bomans en van Achterberg tot drs. P en daartussen meesterstukjes van korte-baanrijders als Jan Mulder en Koos van Zomeren lijkt op het eerste oog geforceerd, maar het ijsmotief houdt de auteurs moeiteloos bij elkaar.

Terecht opent de bundel met de proloog uit Gewassen Vlees, de historische roman van Thomas Rosenboom, waarin kinderen tijdens een gure winterse dag naar de Zuiderzee schaatsen. Het is misschien wel het mooiste wat er in de Nederlandee literatuur over winter en schaatsen is geschreven. Alleen de eerste zinnen al: 'de kou drukte als een stempel op het stramme land. Niets bewoog, alleen de lucht, onzichtbaar - de lege bomen stonden stil in de ijzige storm.'

En heel toepasselijk sluit Dohle de bundel af met het gedicht 'Dooi' van J. Bernlef. De laatste regels daarvan gaan als volgt:

de grond van een verhaal dat op het punt/ van pointe in dooi uiteenvalt en weer kaal

Het is met het einde van van een mooi boek net als met het einde van een strenge winter: het komt altijd te vroeg.

Gelukkig was er nog een Elfstedentocht. De vijftiende editie heeft geleid tot een serie uitgaven, waarmee de schaatsliefhebber vooruit kan. Hoewel, als medicijn tegen schaatskoorts zullen ze, vrees ik, maar kortstondig verlichting geven. De uitgaven hebben allemaal iets vluchtigs: bladerboekjes, snel in elkaar gedraaid met veel superlatieven en namaak-heroïek, een stijl waaarin de televisieregistratie van de NOS voorging.

De aardigste uitgave is, ondanks de titel, Het enige echte Elfstedentocht logboek 97, waarin de chronologie van de wedstrijd wordt aangehouden en de fotografie nog zwart-wit is gehouden. Overbodig en dus storend is alleen de inleiding van de Friese commissaris der koningin, Hermans. Minder goed is Heldenstrijd in ijzige wind, of je moet liefhebber zijn van de cult-buitenmens Erik Hulzebosch ('Wi bin bikkels'), die in kleine terzijdes de wedstrijd beschouwt. Zijn tweede plaats geeft de mijmeringen net niet het cachet dat nodig is. Bovendien: zijn dialect hoor je niet op papier.

Voor de liefhebber van het historisch perspectief is er De Tocht der tochten, dat 'een complete efstedengeschiedenis vanaf 1740' suggereert. Het voorwoord van tourrijder Evert van Benthem is het ook niet helemaal. Zijn tweevoudige overwinning is nog altijd indrukwekkend, maar met een nieuwe winnaar toch passé. Je vraagt ook niet Jan Janssen om een terugblik als Joop Zoetemelk net de Tour de France heeft gewonnen.

De 'verNOSsing' van de Elfstedentocht: die complete uitvergroting van de tocht maakt de boekwerken enigszins overbodig. Je hebt al zoveel gezien, je hebt al zoveel gehoord en je weet ook dat de mooiste verhalen pas later komen. Hadden de Friese broers Jacob en Wierd Wynia, gediskwalificeerde wedstrijdrijders van de tocht van 1947 niet een halve eeuw moeten wachten tot ze onlangs toch nog hun felbegeerde elfstedenkruisje kregen. Het is jammer voor de snelle uitgevers, maar alleen de tijd zet gebeurtenissen echt in perspectief.

*Evert van Straaten: Koud tot op het bot. De verbeelding van de zestiende en zeventiende eeuw in de Nederlanden, Staatsuitgeverij 1977.