Prix Nouvelles Images

Nouvelles Images, Westeinde 22, Den Haag. T/m 26 febr. Prijzen van 750 gulden (kleine tekeningen van Marc Nagtzaam) tot 16.000 gulden (grote installatie van Famke van Wijk).

Het mag dan gemeen lijken om kunstenaars uit eigen oeuvre te laten kiezen; je kunt je afvragen of het minder erg is als ze zich lijdzaam aan de beoordeling door anderen onderwerpen - zeker als er een Prijs in het geding is. De Haagse galerie Nouvelles Images looft sinds zes jaar iedere twee jaar de Prix Nouvelles Images uit, voor een kunstenaar jonger dan dertig. Dit jaar zijn er door de jury voor de prijs van 10.000 gulden zeven kunstenaars genomineerd en die keuze zou je 'representatief voor de hedendaagse kunst' kunnen noemen. Het lijkt wel of de jury van iedere moderne kunstvorm, op film en video na, een vertegenwoordiger heeft gezocht. Lars Arrhenius vertegenwoordigt de schilderkunst, Mathilde ter Heijne de installatiebouw, Edwin Zwakman de fotografie. Mieke van Schaik maakt computerprints, Famke van Wijk beelden met rubber of aluminium en Marc Nagtzaam en Juul Kraijer maken tekeningen; de eerste modern en semi-conceptueel, de tweede traditioneel en een beetje surrealistisch. Het nadeel van dat onderscheid is dat de kunstenaars binnengehaald lijken als vertegenwoordigers van een kunstvorm, waardoor de prijs eerder naar die vorm lijkt te gaan dan naar een individuele kunstenaar. Vandaag wordt de winnaar bekend gemaakt.

Veel van het werk op de tentoonstelling lijdt nog aan een grote mate van prilheid. Het is goed bedacht, technisch vaardig uitgevoerd, maar al te vaak mis je de eigen stem van de kunstenaar - teveel werken moeten het hebben van referenties aan bestaande tradities of kunstenaars: surrealisme, Beuys, Warhol, de Becher-schüle: alles komt wel een keer voorbij.

Het sterkste geldt dat voor de computerprints van Mieke van Schaik, die een krampachtig soort hedendaagsheid uitstralen. Dat zit 'm niet alleen in de veelkleurigheid van de werken, maar vooral in de eindeloze opstapeling van kunstinterne verwijzingen (naar Warhol, naar Rosemarie Trockel, naar Jenny Holzer, naar het modernisme, naar vrouwenkunst) die het geheel zo te zien een verantwoord en speels aanzien moeten geven. Daarin faalt Van Schaik: hoe langer je naar haar werk kijkt hoe sterker de indruk wordt dat het alleen maar gaat over de eruditie van de kunstenaar.

Dan liever de enorme foto's van bouwwerktuigen, snelwegen en dijken van Edwin Zwakman. Hij heeft weliswaar goed gekeken naar het werk van de Duitse fotograaf Andreas Gursky, maar dat neemt niet weg dat zijn Fly Over, een drie meter hoge luchtfoto van een verkeersplein met zware wolken erboven, een mooi beeld oplevert, waarnaar je lang kunt blijven turen. Dat geldt helemaal voor de tekeningen van Marc Nagtzaam. Op het eerste gezicht lijken zijn grijs-glimmende vakken nauwelijks op tekeningen, daarvoor glanzen ze teveel; pas bij nadere beschouwingen blijkt dat het dichtgekleurde potloodvlakken zijn. Daarin betoont Nagtzaam zich een authentieke systeembouwer. De tekeningen zitten vol met woorden, kreten en voorwerpen, zoals kubussen en ruimtelijke structuren - het schetsboek van een maniak lijkt het, maar dan wel een heel precieze, die obsessief nadenkt over kunst, architectuur en vorm. Daar waar Mieke van Schaik puzzels maakt en de oplossing er meteen bijlevert, stelt Nagtzaam een eindeloze reeks vragen over kunst en het kunstwerk die er fascinerend uitzien.