Poëziedebuut van Pem Sluijter; Een zich als taal opdringende boom

Pem Sluijter: Roos is een bloem. De Arbeiderspers, 63 blz. ƒ 29,90

De debuutbundel van Pem Sluijter (1939) begint met een gedicht over Moerheim, een kwekerij in Dedemsvaart. Het is 1944. De 'ik', die hier onderdak heeft voor de rest van de oorlog, is nog maar een kleuter. Het beeld dat wordt opgeroepen is dan ook opgebouwd uit kinderlijke metaforen. Niet de Duitse vijand die laarzen draagt boezemt haar angst in; nee, het zijn 'de kleur van kikkers in de kleur/ van plompeblad en kleine pad, die/ in zijn bruin pak over voeten schoot', waardoor haar keel samen met die van de amfibieën gaat kloppen.

Zo sfeervol als het gedicht begint wordt het ook afgesloten. Binnen én buiten de moestuin is een kleinood te verdedigen:

Daarbuiten groeiden rozen en Russen

knielden wiedend in het aardbeibed.

Zij zouden kunnen delen

in het geheim

van de tot vuist geklemde kinderhand

het afgeknipte stukje parachute

van zijde. - Als je een vriend

en geen vijand in de buurt zag lopen

vouwde je voorzichtig

twee vingers open.

Zulke regels etaleren een geraffineerde eenvoud, en deze conclusie geldt voor veel gedichten in Roos is een bloem. Ook als niet het kind, maar de filosofe aan het woord is hebben Sluijters verzen vaak een onomwonden idioom en stijl. Er is geen vaste vorm, maar de dichterlijke teugels staan niettemin strak gespannen. Dat de hand aan die leidsels ternauwernood zichtbaar is, komt doordat de toon op onverhoedse ogenblikken wisselt. Het gedicht 'Ontwaken in Sri Lanka' bijvoorbeeld opent met de meeslepende terzine

In Sri Lanka hoor je Singalezen

op zachte voeten door hun meesters

huizen gaan, met zachte vegers.

Maar het tweede, vijf regels tellende couplet zet de lezer al op een andere versvoet. En de vijf ongelijke strofen die volgen zijn ritmisch even onberekenbaar.

Ook inhoudelijk is Roos is een bloem een intrigerend debuut. Naast peroonlijke reisherinneringen zijn er filosofisch en religieus getinte gedichten. De kwaliteit varieert, maar vrijwel elk vers telt een paar indrukwekkend rake, vaak aan de natuur ontleende beelden. De religieuze verzen vind ik het minste boeien, maar daar staat tegenover dat Pem Sluijter erin slaagt om een kentheoretisch probleem tot heel eigen, heuse poëzie te maken. Een prachtig voorbeeld hiervan is 'Koornroos', waarin het 'gebolderd blad' van een zich als louter taal opdringende boom de rusteloze blik naar een klaproos (bolderik) leidt.

Maar ook als er niets diepzinnigs te beschrijven valt, weet Pem Sluijter het beeld trefzeker te omlijnen - zoals in 'Afwezig':

Gewoon bij je zitten.

Naar je hand kijken op tafel

die nu de kat tussen de oren kriebelt.

Afwezig, niets uitgesprokens maar wij

de kat en ik, weten dat je er bent.

Het is een minimale paradox die hier, al even minimaal, is verwoord. Maar het beeld is verrassend compleet.