'OM verzwijgt in xtc-zaak het gebruik van een infiltrant'

In een groot xtc-onderzoek is gebruik gemaakt van een criminele infiltrant. De rechtbank van Den Haag moet vandaag oordelen of het openbaar ministerie binnen de grenzen van de opsporingsbevoegdheden is gebleven.

ROTTERDAM, 14 FEBR. Is de discotheek-eigenaar Gijs van T., verdacht van drugshandel, door de politie opgespoord met ongeoorloofde methoden? Volgens justitie heeft Van T., die een discotheek in Amsterdam heeft, leiding gegeven aan een organisatie die van eind 1991 tot medio 1994 handelde in zowel hard- als softdrugs. Maar zijn advocaat, T. Hiddema, zegt over informatie te beschikken waaruit blijkt dat het OM zich in deze zaak bediende van ongeoorloofde opsporingsmethoden. In het dossier las hij namelijk niet dat 'mede-verdachte' Robert J., bijgenaamd 'de professor', eigenlijk een infiltrant is.

In dit dossier van het 'Chrystal-team' wordt melding gemaakt van door de politie afgeluisterde telefoongesprekken waaruit blijkt dat de Amsterdamse discotheek-eigenaar amfetamine en xtc produceerde. De bestemming Engeland, een gewilde markt voor Nederlandse producenten van synthetische drugs, duikt er regelmatig in op. Wie in dat dossier ook vaak voorkomt is Robert J., bijgenaamd: 'de professor' dan wel 'de Slak'. Alleen blijft onvermeld dat J. voor de politie werkte.

Voor de Maastrichtse notaris M. P. P. F. Groutars heeft Robert - 'de professor' - J. verklaard dat hij infiltrant is geweest onder meer voor de Limburgse politie. 'De professor' leerde - op instigatie van de regionale recherche inlichtingendienst Kennemerland - eerst bij een inmiddels gearresteerd duo hoe hij synthetische drugs moest vervaardigen. Daarnaast werd hem het repareren van de machines bijgebracht die nodig zijn voor de produktie van chemische genotmiddelen en leerde hij waar de diverse grondstoffen ingeslagen moesten worden. Nadat eind 1993 het duo waar hij in de leer was gedaan gearresteerd was, werd hij in contact gebracht met Gijs van T. die vandaag in Den Haag voorkomt.

“Van T. kon goed gebruikmaken van mijn kennis”, aldus 'de professor'. De Amsterdamse discotheekeigenaar kende twee Brabanders die zaten te wachten op iemand die hun het procédé voor het vervaardigen van speed (amfetamine) kon bijbrengen. Van T. bracht 'de professor' in contact met beide mannen. 'De professor' verklaart: “Ik heb alle mogelijke grondstoffen geleverd voor het maken van xtc en speed.” Zelf, zegt hij, heeft hij ook pillen gedraaid en “aan een aantal jongens het procédé om xtc te maken bijgebracht”.

Robert J. heeft verklaard dat hij van de rechercheurs die hem runden een volmacht heeft gekregen om een xtc-laboratorium in zijn geheel op te zetten. “Zij vertelden mij dat zij hiervoor toestemming hadden gekregen van meerdere officieren van justitie. Ik kan mij in dat gesprek met die runners daaromtrent nog herinneren dat zij zeiden dat de officier van justitie er moeite mee had dat er mogelijk wel 1.000 tabletten per dag zouden worden vervaardigd.” 'De Professor': “Zowel de runners als ik wisten natuurlijk dat als zo'n lab er eenmaal staat er veel meer geproduceerd kan worden. Daar hebben we met zijn drieën nog om gelachen.”

Het was de bedoeling dat het xtc-laboratorium, nadat het was opgezet door anderen zou worden overgenomen, waarna de politie zou ingrijpen. Het beoogde xtc-laboratorium is er overigens nooit gekomen en de betrokken CID-rechercheurs zijn inmiddels om redenen die niets met 'de professor' hebben te maken op non-actief gesteld.

Politiefunctionarissen van de regiopolitie Limburg-Zuid hebben, eveneens voor de notaris, bevestigd dat Robert J. infiltrant was. Om de ware aard van zijn activiteiten af te schermen, zeggen de politieambtenaren, is 'de professor' in de Chrysal-zaak opgevoerd als verdachte. “Op die manier hoeft de informant casu quo infiltrant niet de waarheid te spreken tegenover de politie en de rechter.” Volgens Hiddema komt dit neer op misleiding van de rechtbank.

De uit Zandvoort afkomstige 'professor' zat begin 1992 in voorarrest op verdenking van heling en diefstal van auto's toen Klaas Langendoen, toenmalig chef CID van Haarlem, inmiddels oud-politieman, hem benaderde met de vraag informant te worden. Voorjaar 1995 werd Robert J. door de regionale criminele inlichtingendienst (RCID) Kennemerland overgedragen aan de RCID Limburg-Zuid. Hij kreeg de uitdrukkelijke opdracht niet te veel te ondernemen, hij moest op toestemming van zijn runners wachten. Omdat dit soms een paar dagen kon duren was hij vaak traag in het nakomen van zijn afspraken. Aan deze traagheid ontleende hij zijn bijnaam “de slak”.

Voor zijn werkzaamheden kreeg 'de professor' naar zijn zeggen “nauwelijks geld” van de politie. “Wel had ik met Kennemerland de afspraak dat ik alles wat ik verdiende met mijn criminele activiteiten zelf mocht houden.” Bovendien was hem toegezegd dat hij strafvordelijk buiten schot zou blijven. Onder politiechef K. Langendoen is, zo blijkt uit het rapport van de commissie opsporingsmethoden, het runnen van infiltranten uit de hand gelopen.

Het rijksrechercherapport over het functionneren van de RCID Kennemerland schrijft over Robert J. - in het rapport aangeduid als 'X' - dat het duidelijk is dat hij is ingezet als infiltrant, maar dat door de gebrekkige administratie van de RCID Kennemerland niet is vast komen te staan hoe vaak dit gebeurde, in welke mate of tegen welke afspraken. Wel werd duidelijk dat de infiltrant de vrije hand kreeg om criminele handelingen ten behoeve van de xtc-produktie te verrichten.