Micha Hamel is geboren componist

Concert: De avond van Micha Hamel m.m.v. o.a. Romain Bischoff (bariton), Andrew Wise (piano), Eelco Beinema. Gehoord: 13/2 De Unie Rotterdam.

Micha Hamel, aan wie donderdagavond in Theater De Unie een muzikaal portret was gewijd, las een krantenbericht waarin popzangeres Madonna om zaaddonors vroeg; ze wilde graag moeder worden. In antwoord op dit curieuze bericht schreef Hamel de tekst Lieve Madonna, die hij vervolgens componeerde als een droevig nalied (waarin hij zichzelf aanbiedt: 'ik doe ook muziek') van Nalatige Liederen, de groots opgezette cyclus voor bariton, cello en piano uit 1995-1996.

Wie meende dat Hamel met Lieve Madonna slechts scherts beoogde - het eerste toch waar je met zo'n tekst aan denkt - kwam bedrogen uit. Hamel hoort niet tot de categorie van speelse muzikanten, zoals Janssen, Mengelberg of Termos. Met nadruk noteerde hij: 'Serieus, zonder ironie!' Als hij in een Lied der Magd de bariton een sopraan laat imiteren, is dat ook minder geestig dan surrealistisch vervreemdend.

Hamel (1970) schreef naast kamermuziek liederen en toneelmuziek. Ook in zijn idioom vertoont hij zo'n dubbelgezicht. Enerzijds treft hij door een wel degelijk speelse Franse inslag, anderzijds blijkt hij toch vooral gecharmeerd door het Oostenrijks expressionisme van Schönberg en Berg. In de tien Nalatige Liederen weerspiegelt zich deze 'gespletenheid'.

Er vallen, afgezien van Lieve Madonna, drie mini-cycli te destilleren, elk weer van drie liederen en elke cyclus is ook geschikt om afzonderlijk uitgevoerd te worden. De eerste klinkt al even Frans als de teksten van Apollinaire, zoals ook de laatste cyclus op Nederlandse gedichten weer tonaal aandoet. De binnenste cyclus op teksten van Peter Altenberg (ten dele al eens eerder door Hamel getoonzet in een versie voor bariton en fagot) is dan uitgesproken 'Oostenrijks'.

Snelle kwintolen, cluster-achtige akkoorden, onverwachte accenten, verstilling én verwoestende uithalen, zingen én declameren, er gebeurt van alles, je hoeft je geen moment te vervelen. Knap is hoe in Spätsommer, een lied van slechts zes maten, zich een bijna Weberniaanse wereld opent. Hamel beheerst het aforisme in het directe gebaar. De vorm ontstaat in feite uit een reeks van die gebaren. Niet zelden wordt een lied met een veelbelovende inleiding (zoals Na de Elfsteden) vrij snel afgekapt.

Dat Hamel een geboren componist is, staat vast: aan muzikale verbeelding geen gebrek. Het slot van een strijktrio (1993) van liefst 25 minuten met een soort recycling van vorige ideeën - met door Mozart afgekeurde noten en een citaat van de jong gestorven Mo-Wuping - voert na een verbrokkeld montage-achtig karakter tenslotte naar een enerverend en logisch betoog in een extase, zoals in Schönbergs Verklärte Nacht. Nu nog de grote sprong voorwaarts in de concentratie op de echte grote vorm.