Met jovialiteit redt Berisha het niet meer

BOEDAPEST, 14 FEBR. Met harde hand en onhoudbare beloften wilde president Sali Berisha de crisis in Albanië over de ondergang van dubieuze investeringsfondsen bedwingen. Vier doden en tientallen gewonden later is ook deze Albanese gok mislukt. Alleen een demonstratieverbod in Tirana en het naar goed Albanees politiegebruik hard inrammen op oppositieleiders hebben voorlopig kunnen voorkomen dat de massale onlusten in de zuidelijke havenstad Vlorë zich hebben verspreid naar andere steden.

De politieke schade heeft zich wel uitgebreid. De demonstranten die dagelijks bij tienduizenden in Vlorë de straat opgaan, eisen niet alleen hun geld terug, maar ook het aftreden van “de dief” Berisha. Ook binnen Berisha's Democratische Partij, die negentig procent van de zetels in het parlement heeft, neemt het verzet tegen de eigen regering toe. Premier Aleksander Meksi kreeg van zijn partijgenoten geen toestemming om de noodtoestand in Vlorë af te kondigen. Mocht Berisha na de frauduleuze verkiezingen van vorig jaar hebben gehoopt op herstel van enig internationaal aanzien, dan is het piramide-schandaal zijn grote ontnuchtering. De beelden van de oproerpolitie die stenen gooit naar demonstranten versterken eerder het imago van een bananenrepubliek op de Balkan.

Sinds het bankroet van het eerste piramidefonds in november heeft Berisha geprobeerd met zijn joviale zelfverzekerdheid de Albanezen kalm te houden. Een uitwasje van de vrije markt, meer was het niet. De spaarders die hun huis, boerderij en koeien hadden verkocht om te profiteren van de woekerrentes van de fondsen, zouden hun geld volgens de president “tot de laatste cent” terugkrijgen. Het was de tweede illusie die hij het volk voorhield. De eerste - het jarenlang toestaan van de piramidefondsen, waardoor Albanezen gingen geloven dat het financieel wel goed zat - was op een ramp uitgelopen, reden waarom het volk Berisha niet meer gelooft.

De beleggers in de piramides Populli en Xhaferri hebben slechts 52,5 tot 60 procent van hun inleg, zonder de beloofde rente, teruggekregen: samen de driehonderd miljoen dollar aan tegoeden waarop de regering beslag had weten te leggen. Van de geschatte inleg van vijfhonderd miljoen dollar in het piramidefonds Gjallica, waarin vooral de inwoners van Vlorë en omstreken hun geld hadden belegd, is echter nauwelijks iets teruggevonden. Gjallica heeft een paar 'bovengrondse' investeringen gedaan, in benzinestations, een hotel en een tandheelkundige kliniek in Tirana, maar de verkoop ervan zal de gedupeerden nauwelijks helpen.

De inwoners van Vlorë weten dat en wentelen woedend hun financieel ongeluk af op de regering die hen nooit waarschuwde. Introspectie is niet het sterkst ontwikkelde facet van de Albanese volksaard. Zelden zal een Albanese spaarder toegeven dat het piramidedebâcle ook een beetje zijn eigen schuld is. Wie meespeelt in het casino gaat nu eenmaal vaak zonder fiches naar de uitgang. Voor een deel is het onwetendheid, maar lang niet alle deelnemers aan de piramidefondsen zijn ongeletterde slachtoffers die het kapitalisme slecht begrepen. Dat de regering nu de schuld krijgt lijkt vooral een uitvloeisel van de totalitaire staat die van de Albanezen afwachtende burgers heeft gemaakt: al het onheil komt van boven, en boven hoort vervolgens ook voor de oplossing te zorgen. Blijft die uit, of valt zij tegen, dan is Albanië een licht ontvlambaar land.

Kan de woede van de “linkse terroristen” van Vlorë, zoals de regering de demonstranten heeft genoemd, overslaan naar Tirana? Waarnemers in de hoofdstad wijzen erop dat Vlorë vanouds een 'speciaal geval' is. Vlorë is de wieg van Albanië. Hier werd op 28 november 1912 de onafhankelijkheid uitgeroepen, en sindsdien voelen de inwoners zich een republiekje binnen de republiek, waar respect voor het centraal gezag niet vanzelfsprekend is. Tirana kent anders dan Vlorë geen concentratie van Gjallica-slachtoffers, en de regering zal de gemoederen in de hoofdstad met alle middelen in bedwang willen houden.

Maar de regering heeft de toestand zo lang laten doorzieken, dat zij daarbij afhankelijk is van het voortbestaan van de grootste piramide-fondsen. Populli, Xhaferri en Gjallica waren klein vergeleken bij Vefa en Kamberi, die vooral in de hoofdstad populair waren. Deskundigen hebben hun schatting van de totale inleg in de piramidefondsen al bijgesteld. Nu gebleken is dat de eerste drie samen achthonderd miljoen dollar hadden opgeslokt, lijkt het totale investeringsbedrag dichter bij de twee miljard dollar te liggen dan bij de aanvankelijke schatting van een miljard dollar. Ter vergelijking: het bruto nationaal produkt van Albanië bedraagt 2,4 miljard dollar.

De regering probeert Vefa en Kamberi om te vormen tot banken of officiële beleggingsfondsen. Niemand weet hoeveel van het geïnvesteerde geld nog in het land is. Bij de ineenstorting van deze twee fondsen zullen volgens economen in Tirana de gevolgen niet te overzien zijn. Albanië moet dan terug naar af: de rampzalige toestand vlak na de val van het communistisch bewind in 1992. Het eerste teken dat het ook bij Vefa en Kamberi rommelt, kwam deze week. De fondsen zetten de uitbetaling van de reeds verlaagde rente stop, met een beroep op “speciale omstandigheden”.

Weinig Albanezen geloven nog dat een ramp van deze omvang zonder politieke consequenties kan blijven. De oppositie, verenigd in het pas opgerichte Forum voor Democratie, waarin zowel de ex-communistische socialisten als de fel anti-communistische Vereniging van Politieke Gevangenen zitten, eist het aftreden van de regering en hoopt nu via een achterdeur alsnog de nieuwe parlementsverkiezingen te krijgen waarop zij sinds vorig jaar heeft aangedrongen. Ook binnen de regerende Democratische Partij gaan stemmen op om een zondebok te vinden. Premier Aleksander Meksi lijkt de aangewezen kandidaat. Of het genoeg zal zijn om de woede te beteugelen, is niet te voorspellen. Er zijn genoeg Albanezen die niets meer te verliezen hebben.