Literair imperialisme

Dinsdagavond heeft de Nederlandse literatuur in New York weer mooie ogenblikken beleefd. De vorige keer was het op 30 oktober 1996, toen in de Century Club, West 43ste straat de verschijning van The Discovery of Heaven van Harry Mulisch werd gevierd.

Nu, op 11 februari 1997, las in het café-restaurant Limbo, aan de Avenue A, tussen de vierde en de vijfde straat Arnon Grunberg voor uit zijn Blue Mondays. De Century Club valt niet gemakkelijk met een Nederlandse instelling te vergelijken. Sociëteit De Witte? Je hoort er de laatste tijd niet veel over. De Grote Club, destijds Paleisstraat 1, kwam er nog het dichtst bij. De fundamentele democratisering van Nederland heeft dat soort instellingen geen goed gedaan. Maar Limbo-achtige ruimten zijn er in de Randstad in overvloed. Ik voel me een beetje in de Staatsliedenbuurt, zei mijn metgezel. Daarmee sloeg hij de spijker op de kop. Ik herinnerde me café De Koevoet. We bespraken de recente successen van de Nederlandse literatuur in het buitenland en we waren trots. Eigenlijk zou er een jaartallenboekje moeten komen van het Nederlands literair imperialisme. Langs mijn neus weg vroeg ik hem wanneer de Watergeuzen Den Briel hadden ingenomen en wanneer de Oostindische Compagnie was opgericht. Hij wist het wel maar niet precies.

Elf februari 1997: Arnon Grunberg leest uit eigen werk in Limbo. Het duurde een minuutje voor hij op gang was gekomen, maar toen had hij de losse houding en de vrijheid van intonatie te pakken die bij een goede voordracht passen. Je merkte het aan het publiek. Het lachte als er iets te lachen viel en het begon goed te luisteren, het pikte de schrijver op.

In de loop van het verhaal werd een paar keer verwezen naar het Beatrix Park en ook kwam de AKO op de hoek van de Gerrit van der Veenstraat en de Beethovenstraat ter sprake. Precies voor me zaten een dikke man met een puntige schedel en een worstelaarsgezicht, en een dik bulldogje. De AKO op de hoek van de Gerrit van der Veen! Opeens zag ik mezelf daar binnenlopen, op de halte van lijn 5 en 24 staan. Dat was een radicale verplaatsing: binnen één seconde van Limbo aan Avenue A naar de AKO in de Beethovenstraat en weer terug. Voor mij niet moeilijk, maar wat was er op dit ogenblik omgegaan in het geweldige hoofd van de aandachtige dikkerd?

Zo kom ik op een oude vraag: wat is de functie van topografische bijzonderheden in een verhaal? Wat is voor de lezer een ritje in de Amsterdamse tram waard als zij of hij (niet onbelangrijk onderscheid in dit geval) niets van dit ongeëvenaard vervoermiddel weet en het in de lectuur moet doen met de mededeling: 'Ze stapte in lijn 3'? Stel je voor dat Jacques Bloem in het Engels wordt vertaald. 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat.' Voor een buitenlandse lezer is er geen touw aan vast te knopen. Nescio, ander voorbeeld, valt niet te vertalen. Om het helemaal te begrijpen moet de lezer zich althans nog kunnen voorstellen hoe het voelt, met een pontje over de Zeeuwse wateren te varen, en weten dat het Sarphatipark meer dan een park is. Je kunt zo'n decor wel gaan beschrijven maar dan wordt het een ander boek.

Schrijvers die in wereldberoemde steden wonen hebben alleen al daardoor een voorsprong. Amsterdam heeft wel een paar internationaal bekende rekwisieten. Als je schrijft: 'We stonden in bewondering verzonken voor de Nachtwacht. Toen opperde ze plotseling dat we beter naar Van Gogh konden gaan kijken. Mijn teleurstelling overwinnend zei ik dat ik het ermee eens was als we die avond naar het Concertgebouw zouden gaan.' Dat wordt van Japan tot Rusland zonder toelichting begrepen. Maar dan verder? Gelukkig, literair gezien, loopt het postmoderne Amsterdam zijn achterstand snel in. Hier geen Rijksmuseum, tulpen en grachten, stelt de criticus van de N.Y. Times Book Review in zijn bespreking van Blue Mondays vast. De held beweegt zich in the seedy underworld van de hoofdstad. Dit bespaart de auteur veel beschrijvingswerk, want een seedy underworld hebben ze overal.

Blijft de vraag: hoe ver moet je met je topografische bijzonderheden gaan? W.F. Hermans vertaalde alles. Rivolistraat, Boulognebos. Dat was een remedie tegen het zwelgen in cosmopolitische versieringen. Ik heb iemand gekend die Chabrol (Claude) uitsprak als ZZZjjwahbgoll. Menno ter Braak en Jan Blokker beschouwen het veel gebruiken van plaatsbepalingen als een teken van een tekort aan talent. Het hangt ervan af. Er zijn handelingen en gemoedstoestanden die alleen kunnen worden begrepen tegen het decor waarmee ze nu eenmaal onverbrekelijk zijn verbonden. Of de AKO in de Beethovenstraat daarbij hoort? In Limbo aan de Avenue A was het een flitslicht op een Amsterdamse straathoek in Zuid.