Instant relikwieën; De religieuze kunst van Joseph Beuys

Joseph Beuys gebruikte vaak dezelfde symbolen als de christenen. Werk van hem is nu te zien in het Schnütgen-Museum, een Keuls museum voor middeleeuwse christelijke kunst. “De middeleeuwer verwachtte zijn heil van een goddelijke macht. Het is bijna alsof Beuys met die macht wil concurreren.”

Joseph Beuys en de Middeleeuwen. Schnütgen-Museum, Cäcilienstrasse 29, Keulen. T/m 26 april. Di t/m vr 10-16u, za en zo 11-16u. Rondleidingen: zo 11u, wo 14.30u. Catalogus 200 blz. Prijs ƒ 65,60.

Het kruisbeeld is slordig uit vilt geknipt en mist een dwarsarm, maar toch is het duidelijk als kruis herkenbaar. Bovenop het vilt is een verveloze houten lijst bevestigd. Op het papier in de lijst is, als door een venster, een schimmige voetafdruk te zien, of misschien zijn het er twee, een kleine en een grote. Onder de lijst liggen twee dikke afgeknipte stukken teennagel, wat plukjes haar en een papiertje met een rood kruisje erop. Dit werk van de Duiste kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986) heet Halbiertes Filzkreuz mit Staubbild 'Magda' (1960). Nu wordt duidelijk waar de voetafdruk en de teennagels naar verwijzen: naar het verhaal van de rituele voetwassing van Jezus door Maria Magdalena. Het kruisje, geschilderd in de donkere kleur van geronnen bloed, noemt Beuys een 'Braunkreuz'. Deze Braunkreuze komen vanaf 1960 veel voor in zijn werk. Ze symboliseren 'de hereniging van intellect en intuïtie', zoals hij het ooit formuleerde.

Het kunstwerk is te zien op de tentoonstelling 'Joseph Beuys en de Middeleeuwen' in het Keulse Schnütgen-Museum. Dit museum is gewijd aan christelijke kunst, met de nadruk op kunst uit de Middeleeuwen. Verspreid door de vaste opstelling worden er nu 32 werken van Beuys geëxposeerd, als 'ein Experiment zur vertieften Wahrnehmung', aldus het museumbericht.

Alexander Schnütgen, die het museum in 1906 stichtte, was een gepassioneerd verzamelaar van kerkelijke kunst. Hem stond een encyclopedische collectie voor ogen die een historisch overzicht gaf van de middeleeuwse christelijke kunst. Het museum is gehuisvest in de Ceciliakerk, een romaanse basiliek uit de twaalfde eeuw. De verzameling bevat prachtige stukken. Tot de vroegste werken behoren kleine ivoren panelen uit de Karolingische tijd, waarin minuscule taferelen zijn uitgesneden uit het lijdensverhaal van Christus. Een crucifix van bijna twee meter hoog, gesneden uit wilgenhout, is afkomstig uit Keulen omstreeks 1070. Het is een ascetisch beeld, met dunne benen en met armen die zich als wilgentakken opheffen, met een lendedoek die streng gestileerd is, en met een gezicht dat tegelijk pijn en berusting uitdrukt. Er is ook een serie kleine, bronzen crucifixen, van ongeveer zeventien centimeter hoog uit het begin van de twaalfde eeuw. Tot een aparte categorie behoren de realistische beeldjes van halfverteerde lijken. 'Tödlein' werd zo'n memento mori liefkozend genoemd. Er is bijvoorbeeld een Tödlein uit Zwitserland, omstreeks 1520. In een doosje met een prachtig mozaïek van ivoor en ebbehout ligt een aangevreten dode, van ivoor, waar de wormen doorheen krioelen. Larven nestelen zich in de ingewanden.

Sjamaan

Het idee om het werk van Beuys te combineren met middeleeuwse kunst is niet zo vreemd. De beelden, voorwerpen en tekeningen van Beuys hebben een duidelijke religieuze lading. De door hem ontwikkelde symboliek is voor een belangrijk deel geënt op de christelijke iconografie. De tentoonstelling werkt wat dit betreft zeer verhelderend. Dood en lijden, opoffering, verzoening, spiritualiteit of hoger inzicht, dat zijn de dingen waar het in zijn oeuvre om draait. Voor Beuys was kunst geen doel op zichzelf, maar een therapie om de mensen nader tot elkaar te brengen en de maatschappij te verbeteren. Als zijn belangrijkste taak zag hij het om de creatieve en intuïtieve krachten van de mens te bevrijden. Hierbij wilde hij de rol van sjamaan vervullen, van bemiddelaar tussen deze en die andere, betere wereld.

Voor Beuys kon, net als in alle religieuze kunst, de materie beladen zijn met betekenis. Zijn beelden lijken soms op relikwieën: voorwerpen of restanten van voorwerpen die toebehoorden aan een heilige of zelfs delen van diens lichaam. Eerst verwijzen deze objecten alleen naar de heilige, na verloop van tijd worden ze zelf heilig, reden waarom er vaak een magische, bijvoorbeeld genezende kracht aan wordt toegeschreven. Het tijdsverloop speelt hierbij een belangrijke rol. Hoe ouder het relikwie, hoe magischer. Aan dit laatste gaat Beuys voorbij: zijn objecten moeten direct een helende werking hebben, als een soort instant relikwieën.

Een voorbeeld is een assemblage van voorwerpen getiteld Kopf Brust Unterleib der Magd Joseph Beuys (1964). De 'kop' is een glazen pot met zout, dat, omdat zout uit kristallen bestaat, bij Beuys staat voor het intellect. De 'borst' ligt in het midden, een bronzen schijf die de ziel en emotie symboliseert. Het 'onderlijf' is een ovaal stuk zeep, oranjeroze, met een inkerving overdwars, zodat het er enigszins uitziet als een vagina. In Beuys' universum betekent zeep, net als vet, zowel verandering als omhulling. Het is een vrouwelijke stof die verwijst naar zwangerschap en moederschap. Verder liggen er in de vitrine witte linnen doeken die de 'maagd' aanduiden. Die maagd is weer een toespeling op de rol van de sjamaan, die het vermogen bezit om twee geslachten te vertegenwoordigen; hij is, als de engelen, geslachtsloos.

Een aantal beelden en voorwerpen van Beuys kan zonder meer opgenomen worden in een traditionele katholieke eredienst, zoals een houten crucifix met de kelk van het Laatste Avondmaal op de borst. Maar er zijn ook essentiële verschillen. Ondanks de verwijzingen naar een bestaande iconografie is de beeldtaal van Beuys zeer persoonlijk. De symbolen hebben vooral betrekking op de mens Joseph Beuys, en niet op een andere of hogere werkelijkheid. Vilt bijvoorbeeld symboliseert voor hem warmte, bescherming tegen vallen en stoten, en tegen lawaai. In 1944 stortte Beuys als oorlogsvlieger naar beneden op de Krim en bleef twaalf dagen buiten bewustzijn. Hij werd verpleegd door de plaatselijke bewoners die hem insmeerden met vet en hem omwikkelden met vilt. Het vilt is een belangrijk onderdeel van Beuys' persoonlijke mythologie. Vilt speelt geen rol in de middeleeuwse kunst en voorzover ik weet in geen enkele kunst van voor de twintigste eeuw. Kristal, om een ander voorbeeld te noemen, wel. Bij Beuys staat kristal voor hardheid, onveranderlijkheid en dood. Sommige tekeningen laten zien dat het genadeloze kristal de mens zelfs bedreigt, zoals de tekening van een martelaar die ingekapseld wordt door puntige kristallen. In de middeleeuwse kunst heeft kristal juist een positieve betekenis. Omdat kristal de stralen van de zon kan bundelen en vuur kan maken symboliseert het de kracht van Christus. Ook staat het voor onverbrekelijke trouw en standvastigheid. In het Schnütgen-Museum zijn hier mooie voorbeelden van te vinden. Het vergulde Christuskind op de schoot van Maria draagt op zijn borst een gladgepolijste kristallen steen. Ook zijn reliquaria vaak van bergkristal gemaakt, gevat in goud en edelstenen.

Wierook

Er is uiteraard niets op tegen wanneer een kunstenaar een nieuwe symboliek ontwerpt, en bestaande symbolen op zijn eigen manier interpreteert. Alleen, de pretenties van Beuys reikten wel heel ver. De middeleeuwer verwachtte zijn heil van een bovenmenselijke, goddelijke macht. Het is bijna alsof Beuys met die goddelijke macht wil concurreren. Beuys gelooft in de mogelijkheid van een innerlijke verlossing door de bevrijdende krachten van de creativiteit die ieder mens in zich heeft. Maar daarbij is de hulp van een sjamaan als hijzelf onontbeerlijk.

Het werk van Beuys verwijst, anders dan de middeleeuwse kunst, niet naar een transcendentale werkelijkheid. Beuys geloofde weliswaar in het vermogen om zichzelf, met hulp, te verlossen, toch is zijn oeuvre doortrokken van tragiek, van het besef van het tijdelijkheid van het bestaan. Dit besef is ook aanwezig in de middeleeuwse kunst; maar daarnaast zijn er de middeleeuwse voorwerpen die een goddelijke werkelijkheid verbeelden. Schoonheid, van edelgesteente en goud of van kunstig bewerkt ivoor, is in die context een afspiegeling van het hogere, Het is de glans van God. Beuys geloofde niet in een goddelijke werkelijkheid. Hij nam zelf de plaats van god in. Want de scheppende kunstenaar benadert de idee van god volgens hem het dichtst. Daarom zei hij ook dat ieder mens kunstenaar was - alleen moesten de meeste mensen dat nog ontdekken. Als een soort supertherapeut, een moderne heiland, wilde Beuys hen hierbij helpen. Hoezeer ik de radicaliteit van zijn kunstenaarsschap ook bewonder, ik vind dat Beuys hiermee een stap te ver ging. Zijn drang tot zelfverheerlijking, tot het mythologiseren van zijn persoon verklaart de weeë wierooklucht waar zijn werk af en toe mee omringd is. Kunstenaars zijn geen goden. En dat moeten ze ook niet willen zijn.

    • Janneke Wesseling