Ik vereenzelvig me niet langer met Lazarus; Gesprek met Oek de Jong

Oek de Jong schrijft in zijn bundel essays 'Een man die in de toekomst springt' over archaïsch Egypte en over Vermeer, over een voettocht in Marokko en over Frans Kellendonk. In het laatste essay aanvaardt hij uiteindelijk de moderne tijd. De mystiek helpt hem daarbij. “De chaos erkennen en je erin storten lijkt me vruchtbaarder dan je opsluiten in een 'hortus conclusus' van romantische en aristocratische idealen.”

Oek de Jong: Een man die in de toekomst springt. Uitg. Meulenhoff, 223 blz. Prijs ƒ 39,90

En dan zitten we cake te verkruimelen aan een tafel voor een raam, buiten ruist de regen grauw neer op de royale binnentuinen van grachtenhuizen, en dan zou ik wel eens willen weten wat mystici met hun aanwijzingen over hoe te leven nu eigenlijk echt bedoelen. Ze klinken vaak zo onthecht. De schrijver tegenover mij zegt: “Het zijn heel alledaagse dingen.” “Zoals het melkmeisje van Vermeer,” vraag ik verwachtingsvol, “over wie je schrijft dat ze zó opgaat in het uitschenken van de melk, dat ze samenvalt met haar handeling?” “Ja, bijvoorbeeld”, zegt hij. Hij zwijgt even en zegt dan: “Zullen we het maar over iets gemakkelijkers hebben? Praten over mystiek komt me zo langzamerhand mijn neus uit. Ik heb de laatste jaren zoveel verklaringen af moeten leggen. Het woord mystiek hangt samen met het Griekse werkwoord 'muo'. Dat betekent 'zwijgen'. ”

Het nieuwe boek van Oek de Jong (1952) heet Een man die in de toekomst springt. Het is een bundel met verhalende essays waarin de schrijver zich stelt tegenover kunstwerken die hem raakten en tegenover de opvattingen van hun makers zoals hij die in het werk ziet. Je zou het ook een verzameling wereldbeelden kunnen noemen. De Jong: “Ik heb even gespeeld met de gedachte om het boek Afscheid van het wereldbeeld te noemen.” Hij schetst de ontwikkelingsgang in het boek, van de archaïsche wereld van het Egyptische plattelandsleven via onder anderen Caravaggio, Vermeer, Gorter en Van Ostaijen naar het postmodernisme van Frans Kellendonk. “Een diachronische opzet”, zegt hij, die het hem mogelijk maakte wereldbeelden die bij verschillende tijdvakken horen de revue te laten passeren. Want wereldbeelden hebben hem altijd gefascineerd, al vanaf zijn succesvolle roman Opwaaiende zomerjurken (1979). Hoewel die fascinatie nu een beetje over is. “Mijn eigen wereldbeeld heeft zich wel min of meer gevormd”, zegt hij. “Ik merk dat mijn belangsteling voor dit onderwerp begint af te nemen. Kennelijk heb ik vaste grond onder de voeten gekregen.”

Zo netjes kunsthistorisch had ik het helemaal niet gelezen. Ik dacht dat het boek de geschiedenis van De Jongs eigen ontwikkeling gaf. Dat hij aanvankelijk zoekend rondkeek en in bijvoorbeeld Egypte dingen dacht als: 'Ik zou hier altijd willen blijven (-) om op mijn hurken te zitten onder een tentzeil, gewoon maar te zitten, en dan (-) verhalen aan te horen en brieven en smeekschriften te schrijven voor de ongeletterden'. Om zich heen meent hij een vrede en harmonie te zien die voor hem onbereikbaar is. Aan het slot van het boek is hij onder andere dankzij de mystiek rustiger en minder zoekend geworden. Het boek, en de schrijver ervan, beginnen heel romantisch en gaandeweg ontromantiseren ze. Daarom zal het woord 'romantiek' wel zo dikwijls en bijna steeds in negatieve zin in zijn boek voorkomen. Wat heeft hij met, of tegen, romantiek?

“Ik voel weerstand ontstaan tegen het romantische wanneer het sentimenteel, metafysisch en idealiserend wordt. De kracht van de romantiek is de droom. Niet als iets vaags of onwerkelijks, het gaat om de droomkracht die er in mensen zit. Je gaat met de droom naar de bodem van de psyche, naar de diepste beelden die er in mensen leven. Dat vind ik heel vitaal. Caspar David Friedrich heeft in zijn schilderijen veelvuldig die droomkracht gebruikt.

“Maar in sommige van zijn schilderijen zit een religieuze sentimentaliteit. In een werk als Der Mönch am Meer, een schilderij dat me jarenlang heeft geobsedeerd, zie ik bovendien de protestantse ideologie: denkbeelden boven de werkelijkheid stellen, leven vanuit denkbeelden. Daar gaan mijn nekharen van overeind staan. Ik hou niet van idealisten.”

Verlies

Toch zoekt De Jong wel graag de confrontatie met romantici en idealisten: in zijn boek schrijft hij met liefde over de idealist Gorter, over de romantische schilder Friedrich, over F.C. Terborgh die hij laat-romantisch noemt, over Ida Gerhardt en haar vasthouden aan oude waarden.

De Jong: “Ida Gerhardt is bijna de vleesgeworden romantiek. Ik denk dat onze hele kunstopvatting trouwens nog romantisch is. Alleen hebben wij een dubbelzinnige of een ironische verstandhouding met de romantiek. Dichters als Bloem, Nijhoff, Roland Holst, gaven het gevoel een belangrijke plaats in hun poëzie. Vergelijk dat eens met veel hedendaagse poëzie. Het gevoel wordt er afgedekt en vaak is het er niet eens meer. Het is technisch knap, virtuoos zelfs, maar leeg. Daarom raakt het je niet. Komt misschien omdat we in een tijd leven waarin je vooral slim en succesvol moet zijn, dus kwetsbaarheid zo veel mogelijk moet zien te vermijden. De kracht van die vorige generatie is dat ze gewoon echt iets zeggen. Dat dat nu niet meer kan, dat zou je een verlies kunnen noemen.”

Uit Een man die in de toekomst springt blijkt dat De Jong dat vroeger ook zonder aarzeling een verlies genoemd zou hebben. Alles wat er aan ouds, aan 'echts' verloren ging betreurde hij: 'Je zou zo graag zien dat alle volkeren der aarde vasthouden aan hun tradities en van de westerse technologie alleen datgene nemen wat ze nodig hebben', schrijft hij nog in het eerste verhaal in de bundel. Maar in het essay over F.C. Terborgh is hij op een ander punt. Hij voelt dat hij de romantiek van Terborgh met zijn verlangen naar het nog hele, archaïsche leven overwonnen heeft. In een vermakelijke, zelf-ironische passage beschrijft De Jong hoe hij ooit in Marokko een voettocht maakte op weg naar de bronnen van de rivier de Todra. Terwijl hij daar liep door de indrukwekkende doodse stilte, zag hij ineens door de beekbedding zachtjes een airconditioned bus vol toeristen voorbij hobbelen. 'Ik had de neiging om rechtsomkeert te maken. (-) Deze bus hoorde niet in deze kloof. Deze kloof was namelijk van mij. Ik liep daar mijn droom van een tocht naar de bronnen van de Todra te dromen.'

Deze woede om wat niet ongerept kon blijven, om alles wat 'onttovert en ontzielt', geeft De Jong tenslotte op, schrijft hij. Uiteindelijk heeft hij het aanvaard: 'dat dit de toestand is en dat ik er deel van uitmaak, dat ik behoor tot een civilisatie waarin de laatste restanten van de archaïsche culturen worden vernietigd en er niets meer is dat niet door onze nieuwsgierigheid wordt verstoord'. Het verbaasde me dat te lezen. Oek de Jong die de moderne tijd aanvaardt, om een of andere reden strookt dat niet met het beeld van deze schrijver, als een zoeker, een mysticus, iemand die uit is op tijdloze ervaringen.

De Jong: “Op een gegeven moment begrijp je dat goed en kwaad altijd tegelijkertijd aanwezig zijn. Je aanvaardt de onvolmaaktheid, het paradoxale, de werkelijkheid zoals hij is. We zitten in een zeer ingrijpend proces van culturele transformatie, mondiaal. Die transformatie fascineert me. Als het over waarden gaat, hebben we met een babylonische spraakverwarring te maken. Maar de chaos erkennen en je erin storten lijkt me vruchtbaarder dan je opsluiten in een hortus conclusus van romantische en aristocratische idealen, zoals Botho Strauss suggereerde in zijn pamflet 'Aanzwellende bokkezang'. Je moet als schrijver juist midden in de wereld staan.”

Dat doet hij toch niet, zeg ik. De twee verhalen die onder de titel De inktvis in 1993 verschenen, spelen zich zo ver van de wereld af als maar mogelijk is, in archaïsche landschappen met vissers en boeren. En ook deze nieuwe bundel begeeft zich beslist niet op volle kracht in deze tijd. Het zou eigenlijk logischer zijn als hij Een man die in het verleden springt geheten zou hebben.

De Jong: “De verhalen van De inktvis zijn naar mijn smaak geheel van deze tijd, ze hadden twintig, vijftig jaar geleden niet zo geschreven kunnen worden. Ik heb gebruik gemaakt van archaïsche vormen en beelden en geprobeerd er iets nieuws mee te doen. In die verhalen ben ik naar het 'binnenste binnen' van mijn innerlijk afgedaald, en onze innerlijke wereld is nu eenmaal zeer oud. Wanneer je je met essenties bezighoudt, stuit je vanzelf op oude beelden. Ik ben de confrontatie daarmee aangegaan. In de essays zijn dat oude wereldbeelden. Op die manier heb ik mijn eigen plaats willen bepalen. Met de titel doel ik op de vitaliteit die ontstaat wanneer je met oude vormen breekt en je overgeeft aan de chaos.”

Depressie

We buigen ons over datgene waarmee hij zijn plaats heeft bepaald. Dat zijn vooral beelden, dat wil zeggen voorstellingen op schilderijen die hem veel deden zonder dat hij meteen wist wat. De Duitsers hebben er natuurlijk een mooi begrip voor, zegt hij, goed als ze zijn in abstracties. Bildoffenbarung, zo noemen ze de obsessieve aandacht voor bepaalde beelden. Die is onthullend, openbarend. Zulke beelden waren voor de Jong Friedrichs Monnik aan zee, het byzantijnse mozaïek De schepping van Adam in Monreale, Caravaggio's De opwekking van Lazarus.

De Jong: “Het verhaal van Lazarus was natuurlijk in eerste instantie gewoon een verhaal uit mijn jeugd. Maar ik vroeg me aldoor af 'wat betekent dat verhaal?' Mijn hele belangstelling voor religie komt eenvoudig daar op neer: wat betékent het? Al die beelden en verhalen, die kunnen toch niet allemaal zomaar zijn, om niks.

“De in zijn graf liggende Lazarus bleek voor mij een beeld van depressie te zijn. Ik ben zelf na Cirkel in het gras een jaar of zeven, acht door zware depressies gekweld. Soms was ik maandenlang als dood, zonder enige bezieling. Wanneer ik keek naar een afbeelding van dat schilderij vereenzelvigde ik me met die man in die grot, ik zat daar ook, ik zag het voor me, het zand, de kevertjes die over de grond kropen in het half duister. Ik wilde per se naar Messina om het schilderij te zien. En daar liep ik dan, op een snikhete dag en toen bleek het museum gesloten. Ik was al kwaad, maar Lazarus bleek in een bijgebouwtje te hangen dat wel open was, dus ik kwam daar bezweet en geërgerd binnenstormen en daar hing dan dat schilderij. Het was heel donker. Het stelde me eerst teleur. Maar langzaamaan begonnen de figuren op te lichten. Het is echt een meesterwerk, ik heb er twee uur naar staan kijken. Ik heb meteen daarna op de boot naar Lipari mijn indrukken opgeschreven. Het wonderlijke was dat ik me tot die dag altijd vereenzelvigd had met Lazarus, maar terwijl ik naar het schilderij keek, was ik steeds de vriend die achter hem staat en hem opbeurt.

“Ik vind het een mystiek beeld. Het gaat over het afgesneden zijn van liefde en warmte, over isolatie en over innerlijke bevrijding.”

Mystiek gaat over ervaring, over wat zich in iemand afspeelt, niet over metafysica, waar De Jong niet over wil praten. Het 'afscheid van de metafysica' dat in zijn essays zo dikwijls genomen wordt, moet maar ontoegelicht blijven. Over mystiek praten is al zwaar genoeg, als het al kan.

Wie aan mystiek denkt, denkt wellicht aan grootse visioenen als die van Hadewijch of Hildegard von Bingen maar dat is eigenlijk niet de kant van de mystiek die De Jong het meest aantrekkelijk vindt. “Mijn voorkeur gaat uit naar de geschriften waarin degene die naar innerlijke vrijheid zoekt wat wijze raad kan vinden”, schrijft hij. Die wijze raad richt zich meestal op een levenshouding. Het eigen ik moet vergeten worden ten gunste van het 'niet weten', het loslaten van allerlei verlangens, het onbewuste. Mystiek is, zo schrijft De Jong de 'wetenschap van de belangeloosheid'. In de praktijk kan dat betekenen éénzijn met je handelingen, het werk doen om het werk zelf, niet om de beloning.

Zwakzinnigen

“Na Cirkel in het gras, in een periode waarvan ik denk, en hoop, dat het de donkerste uit mijn leven is geweest, ben ik andere dingen gaan doen. Ik ben gaan lesgeven in schrijven, onder meer aan toen onbekenden als Joost Zwagerman, Marcel Möring en Frithjof Foelkel en ik ben met mijn handen gaan werken. Ik had een zeilboot waar altijd veel aan te doen viel en ik heb veel geklust in huis”, zegt hij terwijl hij grijnzend om zich heen kijkt. “Daar zie je niets van, maar het is wel zo. En ik heb een paar jaar lang twee dagen in de week in een grote moestuin gewerkt met zwakzinnigen. Ik heb van kindsbeen af belangstelling gehad voor zwakzinnigen. Ik had ook een merkwaardige droom die van invloed is geweest op de beslissing om in zo'n inrichting te gaan werken. In die droom zag ik twee figuren. De ene was ik in zekere zin zelf, een scherpgetekende, heldere, talige man, de andere was een amorfe, donkere, blinde, tastende figuur, een 'modderen man' om met Karel van de Woestijne te spreken. Ik moest die blinde, donkere figuur omhelzen, of aanraken en daar was ik letterlijk dóódsbang voor. Toen later de mogelijkheid zich voordeed om met die mensen te werken, legde ik al snel het verband met die droom. Ik heb maar weinig van zulke dromen, maar van een enkele voel je echt dat je er iets mee moet doen.

“In die tuin heb ik veel meer inzicht in mensen gekregen. De mensen met wie ik daar werkte, hebben eigenlijk geen buitenkant, ze zijn helemaal ziel.

“De andere bron waar heel veel uitkwam was gewoon op het land werken. Alles wat je in een tuin doet kun je eigenlijk meteen als metafoor zien. Was je bijvoorbeeld met een veldje snijbieten bezig waarvan een deel veel meer in de schaduw lag dan het andere. De planten in de schaduwrijke zone waren kleiner dan de rest, ze haalden die achterstand ook niet meer in. Zo gaat het ook met mensen en met de ervaringen in hun jeugd. Al moet je de overeenkomsten natuurlijk niet overdrijven.”

In het stuk over mystiek schrijft De Jong over het belang van ervaring en ook in het daaraan voorafgaande stuk, over de religieuze opvattingen van Frans Kellendonk, met wie hij intens bevriend was, benadrukt hij het belang van iets ondervinden: 'Zo is ook geloven in God onzin. (-) Religie is ervaring.'

De Jong: “Het is van belang om onderscheid te maken tussen religie, een menselijke hartstocht, en godsdienst, de geïnstitutionaliseerde religie die gepaard gaat met een leer, met dogma's, met geld en macht - van godsdienst kan oorlog komen. Als dat niet goed onderscheiden wordt, is elk gesprek eigenlijk onzin. Dat zie je ook aan de stukken van Rudy Kousbroek, die heeft het over een godsdienstige houding die nu nog maar door een heel kleine minderheid belichaamd wordt. Zijn verzet daartegen is destijds heel nuttig geweest, maar het is overbodig geworden. Religie is voor hem het geborneerde christelijke geloof met alle uitwassen vandien, de domheid daarvan bestrijdt hij. Maar daar zijn we het allemaal wel over eens. Willem Jan Otten wil juist laten zien dat een rationele levenshouding en religie niet strijdig zijn, maar op de inhoud van die beweringen gaat Kousbroek eigenlijk niet in.

“Religie gaat over zingeving en liefde en heeft met geloof niets te maken. Zodra je gaat praten over geloof en ongeloof heb je het over het al dan niet aanhangen van een godsdienstige ideologie. Dat maakt praten over religie onmogelijk. Het is een verouderd begrippenpaar. Ik heb geen geloof, in de traditionele zin. Voor religie geldt wat voor andere hartstochten geldt: het is zo, je beleeft iets, of niet.”

Met Kellendonks uitspraak dat geloven een vorm van 'oprecht veinzen' is, kan De Jong zich dan ook helemaal niet verenigen. Het gaat wat hem betreft niet over doen alsof, maar om inleving en vereenzelviging. Hij noemt Kellendonks uitspraak een 'wangedrocht van een theorie'.

De Jong: “Als je van iemand houdt, dan ís dat zo. Dat is geen geloof. Je kunt niet tegen iemand zeggen: ik veins oprecht dat ik van je houd, want die liefde van ons dat is maar een denkbeeld.

“Ik denk dat Kellendonks theorie ook samenhing met zijn levensfase. Hij was 39 toen hij stierf, als hij langer geleefd zou hebben had hij dat waarschijnlijk niet meer zo gezegd. Hij moest een intellectuele controle opgeven en dat kon hij niet. Overgave was voor hem iets heel moeilijks, alleen in zijn stijl vind je die. Dat heb ik ook opgeschreven: 'de ware religie van Kellendonk, dat was zijn stijl'. Daar ben ik wel tevreden mee, met die formulering, omdat daarmee het beperkte begrip van religie wordt opgerekt. De religie zit in het doen, niet in de denkbeelden.”