Huilbuien en onbenullige goden

Apollonius van Rhodos: De tocht van de Argonauten. Vertaald uit het Grieks door Wolther Kassies. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 422 blz. ƒ 95,-

Wat als een bekende, hedendaagse auteur met een bijbels treurspel zou komen met een hedendaagse thematiek maar gedicht in zeventiende-eeuws Nederlands en Vondeliaanse alexandrijnen?

Hij zou een schouderophalend publiek treffen dat niet bereid is zijn poging serieus te nemen, als het al in staat is het werk te lezen. Wij bedienen ons niet meer van de middelen van vroeger om eigentijdse doeleinden te bereiken.

Apollonius van Rhodos, die omstreeks 300 v. Chr. in Alexandrië werd geboren en daar in het tweede kwart van de eeuw enige tijd hoofd van de koninklijke bibliotheek was, deed dat wel. Hij schreef een epos van bijna zesduizend verzen over de tocht van Jason en de Argonauten in het toen al eeuwenoude Homerische idioom, dat sterk afweek van het gesproken Grieks van zijn tijd. Zijn lezers, die beter toehoorders genoemd kunnen worden omdat het Griekse epos onder begeleiding van de lier werd voorgedragen, schrokken daar niet van. Homerus was de geletterden onder hen met de paplepel ingegoten.

De Argonautica is compleet, in vier boeken, tot ons gekomen. Het eerste begint meteen met het vertrek; de mythen waarin de voorgeschiedenis van de tocht besloten ligt, waren bij het publiek in de Oudheid bekend en hoefden door Apollonius niet nog eens uit de doeken te worden gedaan.

De held Jason gaat voor koning Pelias het Gouden Vlies uit Colchis halen. Hij verzamelt daarvoor een uitgelezen schaar avonturiers om zich heen, onder wie we bekende namen aantreffen als Heracles en Orpheus. Overal waar ze onderweg aan land gaan, gebeurt er wel wat. Zelfs de oude zeemansdroom, een eiland met naar mannen snakkende vrouwen, wordt vervuld. Het tweede boek verschilt weinig van het eerste. Op elke aanlegplaats wacht wel een verrassing, waarvan we sommige al van Homerus kennen. De schrijver blijkt een belezen man, altijd is er wel iets wetenswaardigs te vertellen over land en volkeren.

Als ons alleen deze twee boeken waren overgeleverd, had de Argonautica slechts de geleerde wereld kunnen boeien, de literatuurliefhebber vindt er niet veel van zijn gading.

Maar in het derde boek raakt de dichter dan toch nog in zijn element. Dat blijkt meteen al bij de aanhef, waarin hij Erato aanroept, de muze van de erotische poëzie. Het derde boek is het mooiste van de Argonautica en heeft de naam van de dichter gevestigd. Het is om het derde boek dat men hem altijd is blijven lezen. De mislukte Homerus van het begin, met al zijn kromme metaforen is vergeten, de dichter mag nu zichzelf zijn, thuis in Alexandrië, in zijn eigen derde eeuw.

Op de Olympus wordt nu vrouwenberaad gehouden. Drie godinnen, Athene, Hera en Aphrodite, steken de koppen bij elkaar om Jason aan zijn Gulden Vlies te helpen. De vergadering ten huize van Aphrodite is beschaafd. De dames besluiten dat Medea, de dochter van de boze koning Aeëtes en als priesteres van Hecate onderwezen in de toverkunst, op Jason verliefd moet worden zodat zij hem kan helpen het Gulden Vlies te verkrijgen. Maar er is een probleem. Eros, een plafond-engel die wij beter kennen onder de naam Cupido, ligt dwars. Hij is aan het bikkelen met Ganymedes, ook al zo'n porseleinen bleekneus, en is aan het winnen. Aphrodite belooft hem een prachtbal in ruil voor zijn medewerking. De bengel laat zich ten slotte verleiden.

De wat weeë bevalligheid van deze scène is typisch voor de Alexandrijnse poëzie van die tijd, die een voorliefde had voor lieflijke, soms wat kneuterige tafereeltjes.

Medea is inmiddels door de pijl van Eros getroffen en hopeloos in de ban van de knappe vreemdeling. Haar droom, haar verliefd ontwaken in de nacht en scènes die erop volgen behoren tot de hoogtepunten uit de dichtkunst van het Hellenisme, zoals de na-klassieke periode wordt genoemd. De liefde-episode in het derde boek is één lange, briljant geschreven romantische operascène: sentimenteel, exotisch en broeierig van sfeer. De verheven stijl van de klassieke periode is ver te zoeken. Euripides' Medea, een felle, volwassen vrouw, ontpopt zich onder Apollonius' pen tot een snoezig, verliefd meisje, dat in niets lijkt op de wrede toverkol die later eeuwen wel eens van haar hebben gemaakt.

Medea besluit Jason te helpen. Tijdens hun ontmoeting valt Jason voor haar charme en bij het afscheid bekennen de held en het meisje hun liefde voor elkaar.

Dan eist het avontuur weer zijn rechten op. De koning hoort van het verraad van zijn dochter die naar het kamp van Jason vlucht. Dankzij haar toverkunst overwinnen ze alles en iedereen en krijgen ze het Gulden Vlies in handen, waarna ze uit wegvluchten, achtervolgd door de Koning. In haar laatste grote optreden is Medea weer wat meer zoals men haar kent: de vrouw die beseft dat er voor haar geen weg terug is, wat haar tweede, noodlottige stap makkelijker maakt. Ze lokt haar broer in de val die door Jason verraderlijk wordt vermoord. Het lieve meisje, dat ineens meewerkt aan de moord op haar broer, wordt als personage minder geloofwaardig, maar de dichter kon niet anders. Deze scène hoorde bij het oude verhaal.

De lezer - of toehoorder - heeft nu nog een lange omslachtige terugreis voor de boeg, die de dichter andermaal gebruikt om met zijn geografische kennis en eruditie te geuren. Het publiek had daar destijds geen bezwaar tegen, maar ons kan het niet erg boeien.

In de Argonautica zijn de middelen van het verleden aangewend voor de doelen van een veel latere periode, want ondanks de archaïsche vormen is Apollonius een door en door Alexandrijns dichter. Bij hem vindt men een nieuwe, niet-klassieke emotionaliteit, die zich het duidelijkst uit in de talrijke larmoyante passages. Want er wordt veel gehuild in het epos en Jason is regelmatig neerslachtig. Het verhevene is nu esthetisch interessant, niet ethisch. Daardoor krijgen de goden iets onbenulligs. Af en toe geven ze het verhaal een zetje, zodat het niet vastloopt. De enige die zich handelend onder de mensen begeeft, is - veelzeggend genoeg - het godje Eros. En het is eveneens veelzeggend dat Apollo's enige verschijning in het epos geen dramatisch maar een esthetisch hoogtepunt is. Iedereen gaapt hem aan. O, wat is hij mooi. Daarna verdwijnt hij weer en Orpheus zingt een wat zoetelijk loflied op de god waarin de volgende passage voorkomt:

Uw lokken blijven altijd ongeknipt, altijd onaangetast, dat is van oudsher zo bepaald. Alleen uw moeder, Koios' dochter, Leto zelf, mag met haar lieve handen door uw haren woelen! Apollo, de angstaanjagende pestzaaier uit de Ilias zal men in de Argonautica tevergeefs zoeken.

De dichterlijke techniek van Apollonius is zelden toereikend op plaatsen waar hij zich, door de vorm gedwongen, met Homerus moet meten. Zijn metaforen zitten er vaak net naast of geven onbeduidende details plotseling een gewicht dat ze niet kunnen dragen. Desondanks heeft de Argonautica een grote invloed gehad op Vergilius en eeuwen van Europese poëzie na hem.

De vertaling van Wolther Kassies is pover. Zoals zo vaak bij klassieke poëzievertalingen mankeert er niets aan de kennis van de brontaal, maar alles aan de behandeling van het Nederlands. Wie, zoals Kassies, dan ook nog zijn moeizaam verkregen tekst in een soort iamben wil 'herdichten', vraagt om ellende. Die heeft de vertaler dan ook gekregen. Klassieke metrische vormen hebben in het Nederlands nu eenmaal weinig te zoeken, ze zijn een overblijfsel uit vroeger eeuwen toen iedereen nog vond dat de klassieke talen superieur waren aan de 'volkstaal' en men er geen been in zag vertalingen in die volkstaal zodanig te verwringen en te verminken tot hij bijna een beetje op het vereerde Grieks of Latijn ging lijken.

Die tijden zijn thans voorbij. Het Nederlands is een taal die gelijkwaardig naast de klassieke talen kan staan, ook wanneer het erom gaat een ritmisch gestructureerde vertaling te maken. Dat een talentvolle enkeling er af en toe wel in slaagt met hulp van antieke metrische vormen tot een acceptabele vertaling te komen, wil niet zeggen dat we hier te maken hebben met een praktijk die meteen algemene aanmoediging verdient.