Het wreedste van twee werelden

Andrzej Szczypiorski: Europa ist unterwegs. Essays und Reden. Diogenes, 365 blz. ƒ 58,80

In geen enkel Europees land is de literatuur zozeer de schatkamer van het nationale bewustzijn als in Polen. Tijdens de negentiende eeuw bleef de geknechte Poolse natie, gedwongen opgenomen in het tsaristische rijk, de mogelijkheid op een eigen publiek leven ontzegd. Alleen in de literatuur kon het nationale karakter levend worden gehouden. Deze eeuw was het lot voor Polen nog wreder: het land werd het grootste kerkhof van de Europese beschaving.

Na de Eerste Wereldoorlog kende Polen slechts twintig jaar onafhankelijkheid, tot Hitler het land in 1939 binnenviel. Gedurende de bezetting werd een groot deel van het land, inclusief de hoofdstad Warschau, verwoest en de bevolking gedecimeerd. Zes miljoen Polen verloren het leven, terwijl de nazi's tegelijkertijd de genocide op het joodse volk op Pools grondgebied uitvoerden. Nadat de Duitse bezetters waren verdwenen, werd Polen onderworpen aan een Sovjetdictatuur waaraan pas in 1989 een einde kwam.

In de traditie van grote auteurs als Mickiewicz en Milosz heeft de in 1924 geboren Andrzej Szczypiorski de ervaringen van zijn gekwelde natie tot thema van zijn literaire werk gemaakt. In zijn romans, maar ook in de essaybundel Europa ist unterwegs, probeert hij zich rekenschap te geven van het leven in een wereld waarin politiek bestond uit het mishandelen van mensen.

Zijn eigen bestaan is zwaar getekend door de excessen van nationaal-socialisme en communisme. In augustus 1944 nam hij deel aan de opstand in Warschau, die door het Poolse verzet was ontketend in de hoop dat de Russische troepen die aan de rand van de stad stonden, te hulp zouden komen. In de ogen van Stalin waren deze opstandelingen echter 'criminelen', aanhangers van de in 1939 naar Londen gevluchte Poolse regering die een concurrent was voor het communistische bewind dat de Sovjetdictator voor Polen in petto had. Hij gaf het Rode Leger opdracht de opmars te staken, zodat de nationaal-socialistische bezettingsmacht het Poolse verzet kon vernietigen.

Opnieuw, vijf jaar nadat Hitler en Stalin Polen in een geheime overeenkomst hadden verdeeld, werd het land slachtoffer van een Duits-Russisch complot. Szczypiorski werd geïnterneerd in het concentratiekamp Sachsenhausen en in Europa ist unterwegs is te lezen hoe hij die periode overleefde. Een Franse Kapo maltraiteerde hem met grote hartstocht, maar dankzij de bijstand van een al sinds 1934 geïnterneerde Duitse medegevangene overleefde hij deze beproeving. Die ervaring leerde hem voor altijd af om in termen van nationale collectiviteiten te denken en was na de oorlog een blijvende stimulans om zich in te spannen voor een Duits-Poolse verzoening.

Tijdens de communistische dictatuur hield Szczypiorski zich in leven met journalistiek werk en het schrijven van detectives en hoorspelen. De censuur bleef lange tijd een beletsel voor literaire arbeid. Het was, zo schrijft hij in zijn roman Nacht, dag en nacht (1992), een tijd die niet de dichters maar de politie welgezind was. In de jaren zeventig werd Szczypiorski actief in de clandestiene beweging van dissidenten. Na de militaire staatsgreep in december 1981, die een einde maakte aan het bestaan van het vrije vakverbond Solidariteit, sloot het regime hem enkele maanden op.

Lijden

Pas sinds 1988, toen zijn roman De mooie mevrouw Seidenman in een aantal vertalingen verscheen, heeft Szczypiorski in snel tempo met zijn literaire werk een internationale reputatie opgebouwd. Dat oeuvre - inmiddels zes romans, een verhalenbundel en deze verzameling essays - ontleent zijn kracht vooral aan de intensiteit waarmee hij politieke onderdrukking en fysiek lijden heeft doorleefd. Het geeft blijk van een soms deemoedige wijsheid, maar ook van weerbaarheid, van literaire sensitiviteit, maar ook van realistisch inzicht in de menselijke neiging tot wreedheid.

De val van het communisme in 1989, schrijft Szczypiorski in Europa ist unterwegs, betekende het einde van het absolutisch Verlichtingsdenkbeeld dat de twintigste eeuw heeft beheerst: het idee dat het menselijke verstand almachtig is. In dit opzicht stelt hij nationaal-socialisme en communisme op één lijn. Beide ideologieën maakten zich schuldig aan een systematisch uitgevoerde massamoord die berustte op dit gevoel van almacht. Anders dan Hitler vond Stalin geen gaskamers uit om zijn vijanden te vernietigen, maar voor de slachtoffers van het Sovjetbewind maakte dit verschil weinig uit: het klimaat in de Goelag Archipel had dezelfde moorddadige uitwerking.

Szczypiorski meent dat het concentratiekamp het eindpunt was van de Verlichtingsmythe dat de mens alles kan. Doden op massale schaal werd goed bevonden omdat het mogelijk was. De twintigste eeuw is het tijdperk waarin de mens gedwongen werd gelukkig te zijn door hem met alle mogelijke middelen te onderwerpen. Doordat Polen de ontberingen van zowel nationaal-socialistische als communistische dictatuur heeft moeten ondergaan, is het Poolse bewustzijn volgens deze auteur diep doordrongen van de grenzen die aan de menselijke mogelijkheden zijn gesteld. Aan dat besef probeert hij in zijn werk literair vorm te geven.

Om de oorzaken van het totalitarisme te kunnen begrijpen moet men, aldus Szczypiorski, bereid zijn zonder scrupules de roerselen van de menselijke ziel onder ogen te zien. Te veel van zijn landgenoten kijken in dit opzicht naar zijn mening liever een andere kant op. In Europa ist unterwegs snijdt hij de voor veel Polen pijnlijke vraag aan die hij al eerder in de roman Zelfportret met vrouw (1994) behandelde: hoe was het mogelijk dat een door Rusland opgelegd communistisch systeem in het traditioneel opstandige Polen bijna een halve eeuw stand kon houden? Na de Tweede Wereldoorlog overheerste lange tijd de overtuiging dat het communisme een eeuwigheid zou duren. Verzet plegen was tegen de achtergrond van die verwachting erg veel gevraagd. Resignatie en aanpassing waren begrijpelijke reacties op een repressie die, zoveel was zeker, voorlopig niet zou verdwijnen.

Idealisme

Szczypiorski beklemtoont echter dat het communistische systeem in Polen niet alleen maar steunde op geweld en onderdrukking. De praktijk van het communisme mag dan op grootscheepse criminaliteit zijn uitgelopen, als ideaal belichaamde het voor zowel veel intellectuelen als een groot deel van de arbeidersmassa de hoop op een betere toekomst. Deze ideologie, die in tegenstelling tot het nationaal-socialisme een plaats opeiste in de verlichte Europese traditie van rationaliteit en humaniteit, beloofde de kloof tussen vrijheid en gelijkheid te overbruggen door een klassenloze samenleving te vestigen waarin iedereen vrij èn gelijk zou zijn.

In Polen en andere Oosteuropese landen zagen velen in het communisme een mogelijkheid om te ontkomen aan de vooroorlogse achterlijkheid van pauperdom, antisemitisme en klerikale praalzucht. Men wordt niet graag herinnerd aan deze illusie, die op grote schaal leidde tot medeplichtigheid aan de leugen en terreur waarop het communisme stoelde. Om enigszins los te kunnen komen van dit verleden is het volgens Szczypiorski noodzakelijk het tragische feit onder ogen te zien dat in het communistische systeem de mooiste bedoelingen misdadige resultaten hadden, als gevolg van het blinde fanatisme waarmee ze werden nagejaagd.

Voor landgenoten die de vergissing maakten hun hoop op het communisme te stellen, voert hij de verzachtende omstandigheid aan dat vele Westerse intellectuelen hetzelfde deden. In Polen werd deze keuze in eerste instantie gemaakt tijdens het Stalinstische bewind, in de grijze zone tussen leven en dood. In Parijs, Londen en Rome gebeurde op grote schaal hetzelfde, maar daar in volle vrijheid.

In Oost-Europa keerden intellectuelen zich na 1956, toen de Hongaarse opstand werd neergeslagen, massaal af van het communistische ideaal. In het Westen werd dit daarentegen in de jaren zestig en zeventig tot nieuw leven gewekt via de bewieroking van Mao, Ho Tsji Minh en Castro. Bovendien komt Szczypiorski tot de wrange conclusie dat de verzetsactiviteiten tegen het communistische regime in Polen, die in de jaren zeventig op gang begonnen te komen, in de Westeuropese hoofdsteden eerder vrees en ergernis dan bewondering opriepen. Regeringsleiders in de Bondsrepubliek en Frankrijk waren bang dat de gekoesterde 'ontspanning' met de Sovjetunie gevaar liep als Moskou zich gedwongen zou voelen in een opstandig Oosteuropees land militair in te grijpen.

De herinnering aan dit eerloze Westeuropese gedrag verklaart volgens Szczypiorski voor een deel de geringe behoefte bij zijn landgenoten om af te rekenen met het communistische verleden. Waarom zou men zich moeten schamen voor kleinere of grotere collaboratie als het Westen de communistische machthebbers lange tijd heeft beschouwd als partners die met eerbied dienden te worden behandeld?

Dat er sinds 1989 weinig politieke rekeningen worden vereffend, heeft volgens Szczypiorski echter ook nog een andere oorzaak. Hij citeert de uitspraak van Tocqueville, dat de afkeer van de dictatuur niet automatisch een grote liefde voor de vrijheid oplevert. Zelf was hij decennia slachtoffer van de censuur en zijn leefomstandigheden zijn als gevolg van de fluwelen revolutie drastisch verbeterd: pas nu kan hij zijn werk als schrijver zonder restricties beoefenen.

Maar de Poolse arbeiders die bij herhaling in verzet kwamen tegen het regime, hebben niet zitten wachten op de triomf van de vrije jongens die nu het gezicht bepalen van een kapitalisme dat ook nog eens een uitbarsting van criminaliteit te zien geeft. Deze opstandige massa was in de eerste plaats geïnteresseerd in een verbetering van haar materiële lot en voelt zich vernederd in een samenleving die in tegenstelling tot het communisme een overvloed aan goederen aanbiedt, maar grote delen van de bevolking de middelen onthoudt om van dat aanbod gebruik te maken. Vandaar ook het forse aantal stemmen op partijen die door oud-communisten worden geleid.

Teleurstelling

Szczypiorski stelt vast dat sinds het einde van de Koude Oorlog niet alleen in de bevrijde Oosteuropese naties grote teleurstelling heerst. Er waart, schrijft hij, een spook door Europa, het spook van de grote twijfel over hoe het verder moet. De vreugde over de val van het communisme heeft ook bij de West-Europeanen maar heel kort geduurd. Voor 1989 was hun materiële welvaart onderdeel van een maatschappelijk bestel dat superieur werd geacht aan het communistische systeem. Sinds het communisme is verdwenen, raakt deze samenleving steeds meer gefixeerd op haar eigen tekorten. Bestaat de zin van het bestaan slechts uit een doordenderend consumentisme en een ongelimiteerde zucht naar vertier? Het heersende gevoel van stuurloosheid, zo vreest Szczypiorski, kan aanleiding worden tot een vlucht uit de vrijheid die in Europa gedurende crisistijd al eerder is vertoond. De geschiedenis van zijn land heeft hem geleerd dat die omstandigheden kansen bieden aan de Neanderthaler die in elk van ons sluimert.

Is er een beschaafde uitweg uit dit door velen als klemmend ervaren morele vacuüm? Het antwoord van Szypiorski op deze vraag geeft jammer genoeg blijk van een halfzachtheid die in schril contrast staat tot de scherpte van zijn inzichten in het Europa van gisteren en vandaag. Hij citeert bij herhaling de zinsnede van Dostojevski dat sinds het verdwijnen van God alles is toegestaan. Alleen in een herleving van christelijke waarden ziet hij op dit moment een mogelijkheid om het in zijn ogen onheilspellende tij te keren. Szczypiorski is een belangrijk romancier en een doorgaans leerzaam essayist, maar met deze noodkreet schaart hij zich in een lange rij cultuurpessimisten (zie bijvoorbeeld Huizinga's In de schaduwen van morgen uit 1935) die in de illusie verkeerden dat het aanroepen van een vergane wereld een heilzaam effect kan hebben.