Grootste Willink-collectie vanaf volgende week in Spanbroek te zien; Nieuw museum voor magisch-realisten

SPANBROEK, 14 FEBR. Op 18 februari opent het Frisia Museum in het Noordhollandse Spanbroek zijn deuren voor het publiek. De basis van de collectie bestaat uit vijftig schilderijen en tekeningen van de magisch-realist Carel Willink (1900-1983), de grootste verzameling van deze kunstenaar in ons land die permanent tentoongesteld wordt. Verder is er werk te zien van Willinks stijlgenoten Wim Schuhmacher, Ger Langeweg, Aart van Dobbenburgh, Dick Ket en Raoul Hynckes.

Frisia Museum, Spanbroekerweg 162, Spanbroek (bij Hoorn). Tel. (0226) 35 11 11. Open di t/m zo van 10-17u.

Initiatiefnemer van het museum is kunstverzamelaar/zakenman Dirk Scheringa, die acht jaar geleden gegrepen werd door het werk van Willink. Zijn eerste Willink kocht hij op een veiling: een zelfportret van de schilder uit 1921, waarvoor hij 3.900 gulden neertelde. Het eerste grote doek van Willink dat hij aanschafte was Portret van een jonge vrouw (1971), door Scheringa steevast als 'de Indische dame' aangeduid. “Ik kan twee uur naar een schilderij kijken en ervan genieten”, zegt Scheringa. “Kijk eens naar die aderen in de handen van de Indische dame, dat is toch klasse.” In enkele jaren verzamelde hij met zijn vrouw Baukje 50 tekeningen en schilderijen van Willink en 200 werken van andere magisch-realisten. Hun woonkamer, keuken, slaapkamer en gang hingen er vol mee. Een aantal schilderijen kreeg een plaats in het klooster in Wognum, waar Frisia Financieringen zetelt. Directeur/ eigenaar Scheringa tilde dit bedrijf (500 werknemers) van de grond. Zijn onderneming is de enige sponsor van het gelijknamige museum.

Drie jaar geleden kocht Scheringa een leegstaande huishoudschool in Spanbroek aan, aanvankelijk bestemd voor een nieuw op te zetten bedrijfsonderdeel. Gaandeweg ontstond het plan om er een museum te openen. “Het leek ons aardig om ook anderen te laten meegenieten van de magisch-realisten. Veel mensen snappen niks van kunst, maar hun werk is betrekkelijk eenvoudig te begrijpen, omdat je kunt zien wat het voorstelt.”

Van de school bleven alleen de buitenmuren staan. Het interieur onderging een ingrijpende verbouwing. Het museum met een vloeroppervlak van 5.000 vierkante meter telt elf expositieruimtes, een café, een museumwinkel, een bibliotheek en een archief, waar geïnteresseerden de achtergronden van het magisch-realisme kunnen bestuderen. Het café zal fungeren als dorpscafé: het is open voor iedereen, zonder dat het museum bezocht hoeft te worden. In de diazaal vallen de mintgroen geverfde houten stoeltjes op, afkomstig van de oude hoofdtribune van voetbalclub AZ, waarvan Scheringa voorzitter is.

Scheringa trok Emily Ansenk (26), afgestudeerd kunsthistorica met als specialisme magisch-realisme, aan als directeur. Zij bedacht ook het concept. “We hebben er bewust voor gekozen de indeling van de schoollokalen aan te houden. Ook de truttige steentjes in de hal blijven voorlopig liggen. We wilden het een museum laten zijn, maar tegelijkertijd het karakter van de school handhaven.” Op de vloer ligt grijs linoleum, de muren zijn wit, de ramen geblindeerd.

Er zijn drie open puien, waar onder meer steenlitho's hangen van Aart van Dobbenburgh (1899-1988), stillevens en portretten, onder anderen van Henriëtte Roland Holst en een serie oorlogs-pentekeningen van Ger Langeweg (1891-1970). In een aparte zaal hangen vier gigantische schilderijen van Pyke Koch, die het museum in bruikleen heeft, getiteld De vier jaargetijden. Werk van Wim Schuhmacher (1894-1896), de “meester van het grijs”, wordt in een aparte ruimte getoond. Maar de schilderijen en tekeningen van Willink staan centraal. Twee zalen zijn met zijn kunstwerken gevuld. Er is een portrettengalerij waar Meisjesportret met kralen (1925) hangt, Baadsters (1930), en natuurlijk het bekende levensgrote portret van zijn vrouw Mathilde. Ze is afgebeeld in een luipaardmantel, waarvan het authentieke exemplaar in een vitrine te zien is. In dezelfde 'Blauwe Zaal' hangen landschappen, waaronder Landing op Mars (1969) en de bekende Kameel in Versailles, één van zijn zeventien dierenschilderijen. Verder worden zelfportretten, landschappen, houtskool- en potloodtekeningen getoond. Twee van de vijf Bomarzo-schilderijen, vernoemd naar de beeldentuin bij Rome, heeft het museum eveneens in bezit, waaronder Willinks laatste schilderij uit 1982, Landschap met kerncentrale. Het museum draait met ongeveer 20 vrijwilligers. Scheringa verwacht 50.000 bezoekers per jaar. Scheringa: “We willen de drempelvrees voor musea wegnemen en richten ons op een breed publiek.”