Elke kamer een circus; Late schilderijen van Georges Braque in Londen

Als Georges Braque na zijn kubistische stillevens en portretten niets meer had gemaakt, zou hij toch tot de grote schilders van deze eeuw horen. Maar hij ging door. In zijn late werk maakt hij van zijn toeschouwers medeplichtigen. Hij verandert de vloer in een cake-walk, opent de muren en verbuigt voorwerpen tot onmogelijke standen. “Het is puur amusement, iemand heeft dat ellendige biljart eindelijk eens volledig in elkaar willen hengsten.”

Braque - The Late Works. Royal Academy of Arts, Londen. T/m 5 april. Dag. 10-18u; 28 maart gesloten. Catalogus Yale University Press, 141 blz. Prijs ƒ 56,55

Het meest hopeloze stilleven is de goudvissenkom, misschien wel omdat er in het bolle glas zo vergeefs iets beweegt. De vis leert nooit iets van zijn omgeving. Steeds mept hij zich met een slinger van z'n staart uit het stilleven om vlak bij het glas weer in dat woord tot rust te komen - zonder dat hij zich stoot, hij heeft de doorzichtige wand net op tijd gezien.

Hoe is het Georges Braque gelukt die altijd weer dreigende beweging vast te leggen? Niet door de goudvis in een sierlijke draai te betrappen, maar door stilstand en vaart over twee paar vissen te verdelen. In het midden van de kom, die de vorm van zo'n grote platte inktpot heeft, kunnen de te grote bruin-grijze vissen geen kant meer op. Onder hen hebben twee visjes nog de illusie van afstand en richting. Je ziet het aan hun vrolijke ogen: de kom is een meer. De ogen van de grote buren staan bedroefd. Zij kennen de waarheid: dit is een glazen gevangenis.

Toen Braque de kom af had, was hij 69 jaar. Het stilleven maakte eerst deel uit van een groot verticaal schilderij. Dat beviel hem niet. Hij sneed de rest weg en hield er de goudvissenkom aan over. Op en af had hij drie jaar aan de voorstelling gewerkt. De omtrek van z'n zwemmende helden moet hem weinig moeite hebben gekost. Die hebben de snelheid van zo'n dikke lijn in een kinderkleurboek.

De kleur heeft al z'n aandacht opgeëist. Grijs met een tint aubergine voor de grote vissen, rood en geel voor de kleine, een lap bruin voor de leegte in de kom. Afzonderlijk moet je ze eigenlijk niet benoemen. Dan ontkomen ze aan hun samenwerking en springen te opgewekt uit het geheel. Braque heeft het grijs, geel, rood, groen en de andere kleuren een alles overkoepelende gedempte tint meegegeven die de goudvissenkom in een treurspel verandert.

Wie Braque The Late Works in de Royal Academy in Londen bekijkt, ziet werk van een schilder die nauwelijks nog buiten de deur kwam. In de laatste zaal hangen een paar landschappen, maar het merendeel van de vijftig zelden bij elkaar getoonde schilderijen bestaat uit interieurs of een onderdeel daarvan, z'n atelier, een biljart, een kachel, een tafel, een paar citroenen. Toch is z'n ploeg op het land het mooist.

Georges Braque (1882-1963) woonde tot zijn dood in Parijs. Hij had ook een atelier in Varengeville, ten westen van Dieppe, aan de Normandische kust. Kijk, daar heeft hij dan toch de buitenlucht gezocht, het terras voor zijn huis, vlakbij de zee. Van verre glimt het doorzichtige blad van een tuintafel me tegemoet. Het weerspiegelt een kan en het laat ook de ruimte onder het glas aan bod komen, de stangen van de tafel, een zitting, 't is een wirwar van echte en weerkaatste dingen.

Ringen en nerven

Na twaalf, dertien stappen moet de bezoeker z'n eerste, vlugge oogst herzien. Het glimmende glas heeft zijn fantasie aan het werk gezet. Van dichtbij ziet het terras er immers heel anders uit. De buitenlucht is verdwenen. Het licht is zo gedempt als in de goudvissenkom. Achter de tafel en de twee stoelen heeft Braque een houten wand geschilderd, compleet met ringen en nerven, net of het terras zich binnenskamers bevindt.

Van een afstand een terras, van dichtbij een kamer met tuinmeubelen. Ook de weerspiegeling is deels verdwenen. De kan en het drinkglas ernaast worden niet verdubbeld en de stangen onder het blad dringen niet door het glazen oppervlak. Vreemd genoeg zie je de weerschijn van de generfde wand weer wel in het tafelblad. Dat is intussen sterk van al z'n soortgenoten gaan verschillen. Waar vind je een glazen blad dat geheel en al naar eigen inzicht beslist of het al dan niet iets wil weerspiegelen?

Zo'n vraag verliest haar bestaansrecht als je de theorie aanhangt dat een schilder een voorstelling inricht zoals hij wil. Hij heeft niets met de zogenaamde werkelijkheid te maken. Wie dat in de Royal Academy denkt, is verloren voor het vileine spel waarin Braque z'n omgeving steeds weer betrekt. Hij jongleert met het kamerbesef van de bezoekers, verandert de vloer in een cake-walk, opent de muren en verbuigt voorwerpen tot onmogelijke standen.

Braque maakt van de bezoeker een medeplichtige en dat wiIde hij ook. In 1949 zei hij dat z'n schilderkunst over de dingen gaat die iedereen kent. Midden in de Tweede Wereldoorlog schilderde hij rustig een keukentafel. Aan dat stilleven probeert men in de catalogus nog een maatschappelijke draai te geven. Het zou Braque om het grauwe alledaagse leven tijdens de bezetting zijn gegaan.

Daar is op dit grote langwerpige schilderij niets van te merken. Het is eerder een ingehouden parodie op wat zo'n tafel dag in, dag uit moet torsen. Het tijdperk waarin dat gebeurt speelt er geen enkele rol in. Braque heeft het blad zo volgestapeld dat de bezoeker in de lach schiet. Deze smalle tafel kan dit voedsel en al dat keukengerei nooit bijeenhouden. Het meeste zou allang op de grond gevallen moeten zijn.

Een vork begrijpt dat en is voorgoed onderweg naar de vloer. Het braadrooster, de kan, de schaal, het drinkglas, een paar lepels en enkele vruchten zetten de zwaartekracht en het evenwicht voor schut. Op en achter elkaar torenen ze als een keukenkathedraal de lucht in. Wie ooit wel eens heeft geprobeerd zoveel mogelijk wijnglazen op elkaar te stapelen ziet voor zich wat Braque met zijn rekwisieten heeft gedaan. Een liggende vis, dit keer zonder kom, kijkt met één oog zo verbaasd dat het lijkt of het onmogelijke van de stapeling tot hem doordringt.

De werken in Londen beslaan de laatste twintig jaar van Braque's leven. Meestal wordt over die periode beweerd dat zij onderdoet voor de grote ontdekkingen van de schilder aan het begin van deze eeuw. Met voor zijn terughoudende temperament ongekende kleuruitbarstingen sympathiseerde hij toen korte tijd met het fauvisme, schilderde hij het water rood en de hemel groen. Geen tint was nog aan een vaste opdracht gebonden.

Gitaar

Het kubisme kwam enkele jaren later en dat werd de vervulling van zijn talent. Niet eerder had iemand de architectuur van simpele dingen als een gitaar, een krant, een pijp of een tafel zo volledig doorzien. Ook een gezicht werd door Braque omstreeks 1910 met gedempte kleuren en korte streepjes zo nauwkeurig ontleed dat de ruimte en de diepte van het meest nabije opnieuw werden uitgevonden.

Braque had, toen hij nog geen dertig was, het interieur en alles wat zich daarin kan bevinden overmeesterd. Daarbij maakte hij de melancholie dienstbaar aan het onderwerp en dat is, zoals Gerard Reve eens naar aanleiding van Toergenjev zei, het hoogste wat een kunstenaar kan bereiken. Bepaalde gemoedstoestanden maken nog wel deel uit van de voorstelling, maar ze kunnen niet meer afzonderlijk worden benoemd. In een kamer van Braque zijn ernst en ironie zo in elkaar opgegaan dat de beschouwer zelf maar moet zien of hij in lachen of huilen wil uitbarsten. Hem wordt niets meer voorgeschreven. Het werk bevat alles.

Als Braque na die kubistische stillevens en portretten niets meer had gemaakt, zou hij toch tot de grote schilders van deze eeuw horen. Maar hij ging door. In de Royal Academy is te zien dat Braque in de laatste twintig jaar van zijn leven de kleurwisselingen en het kubistische perspectief uit z'n jeugd niet was vergeten.

De interieurs zijn alleen veel minder streng dan in het eerste begin. Braque gunde zich aan het eind van zijn loopbaan iets luchthartigs. Op een groot biljart uit '44 wemelt het van de voorvallen. Het staat niet recht in de kamer. Opgeklapt en met een knik in de rechter zijkant steekt het scheef in de voorstelling, rijmt het met de hoek tussen de muren achter het groene speelveld.

Uit twee grijswitte ballen druppelt bloed. De rode bal kan z'n eigen niet kleur niet bijeenhouden en verliest een veeg. Zes banen, richtingen kun je beter zeggen, schieten over het groen, de laatste caramboles hebben hun afdruk op het laken achtergelaten. De twee keus zouden van dit scheve biljart moeten vallen. Ze zijn gekruist in rust. In de biljartkamer, als in de keuken, is de zwaartekracht opgeheven.

Er kan nu heel wat over de terugkeer van het kubisme (de knik in het biljart) of het fauvisme (het roodverlies) worden beweerd. Dat zou het plezier bij het kijken naar dit schilderij teniet doen. Het is puur amusement, iemand heeft dat ellendige biljart eindelijk eens volledig in elkaar willen hengsten. Weg met dat eeuwige getik van die drie ballen en die deftige keus en denk niet dat Braque dit slachtveld uit de losse pols heeft geschilderd. Er bestaat een potloodschets waarop de ravage tot in de puntjes is voorbereid.

Op een klein schilderij zie je een hoek van het biljart, een grote close-up. De hele kamer baadt al in een tint die aarzelt tussen geel en oker en die deelt zich ook mee aan de twee ballen. Ze veranderen in fruit, een citroen of een andere vrucht, en je hoopt dat ze na een fikse stoot hun sap over het laken zullen spuiten.

Braque was een nauwkeurig handwerksman. Hij rangschikte z'n verschillende penselen als een boeket in aparte glazen, steeds andere voor het licht, het meubilair of de lege ruimte. Hij jutte stammetjes en takken op het strand die hij in een standaard voor z'n palet veranderde. Er stonden zoveel wilde bloemen en planten in het atelier van Varengille dat de dichter Francis Ponge het met een broeikas vergeleek waar het onderscheid tussen de bloemen en schilderijen was komen te vervallen.

Zeep

Ponge moet de humor van Braque's latere werk hebben herkend. Tientallen malen schreef hij over een vijg of een stuk zeep. Het bleven aanlopen, nooit geloofde hij dat wat z'n aandacht trok in woorden kon worden gevat. Voor Braque moet een interieur net zo ongrijpbaar zijn geweest als de simpele dingen voor Ponge. Dat stemde hem niet triest. Vrolijk veranderde hij elke kamer in een beeldend circus dat minstens zo echt is als een tot in de puntjes nageschilderd interieur.

Een vrouw zit in '45 te lezen (voeg groen voor de jurk en blauw voor de wenkbrauwen toe) en kijkt opzij naar een tafel links van haar. Die is dit keer volgestapeld met een vogel, de toetsen van een piano, een mandoline, een kan en nog wat dingen die half en half achter de hoofdrolspelers schuilgaan. 't Is zo'n vreemd allegaartje dat het lijkt of ze uit het boek zijn gestroomd. Het zijn de props uit het verhaal dat de vrouw zit te lezen. Ze vullen de kamer omdat ze op dit ogenblik voor Braque's heldin reëler zijn dan de muur of de vloer.

Zes jaar later doet Braque hetzelfde zonder boek. De kop van een vrouw wordt omgeven door de meest uiteenlopende voorwerpen. Een palet, een boek met z'n gedachten en aforismen en een paar vazen zweven eerder om het hoofd dan dat ze vast in aanraking zijn met de grond. Op de schildersezel in het midden van de kamer, zit een voor Braque's gedempte kleurpalet buitengewoon witte vogel die niet is komen binnenvliegen maar uit de gedachten van de vrouw ontsnapt lijkt te zijn.

Dat is vaker vertoond, de momentopname van een stel hersens wordt met een film, een schilderij of een cartoon zichtbaar gemaakt. Het doet meestal nogal gezocht aan, maar niet bij Braque. De aardse kleuren, waarin hij vaak zand of grindkorrels mengde, en de slimme opstelling van het meubilair geven aan zijn gooi naar het ongewone gelukkig een kiel. De gedachtenvlucht van de vrouw is zo tergend nabij dat je op een portret van een andere schilder de zieleroerselen van het model begint te missen. Braque opent de weg naar een eindeloos spel waarbij je de nooit te voorspellen beelden zou zien die rondspoken in het hoofd van iemand die de kamer binnenkomt, zo echt als een hand of een voet.

Francis Ponge vond dat Braque zelfs op hoge leeftijd steeds nieuwe risico's nam en wie de tentoonstelling in Londen ziet kan hem alleen maar gelijk geven. Zijn brave vogels, de onmogelijke stillevens met doodshoofd en ook zijn te veel op Van Gogh lijkende landschappen tellen niet mee, op die ene ploeg na natuurlijk.

Betrappen

De interieurs verleiden je steeds weer. Dezelfde kamer wordt door de schilder altijd anders bespeeld. Hij wilde de ruimte in z'n atelier betrappen die al van aanzien veranderde als hij een kruk of een vaas verplaatste. Op z'n mooiste schilderijen heeft hij juist die verandering kunnen schilderen. De kleine verschuivingen die ieder beeld voortdurend wijzigen en die zo gauw worden vergeten, omdat ook de nieuwste stand zich afspeelt in de soezende domeinen waar nauwelijks nog iets wordt beslist.

Braque schoof met een lik kubisme van vroeger twee of drie verschillende gezichtspunten van waaruit hij z'n atelier bekeek in elkaar. Hij deed het heel onopvallend en vond blijkbaar dat het interieur er moest uitzien of het juist wel uit één standpunt wordt bekeken. Zoals vaak leveren juist deze nutteloze verlangens en elegante schijnproblemen de mooiste beelden op. Wie argeloos een kamer van Braque ingaat, denkt eerst dat er niets aan de hand is. Ineens merkt hij dat hij zich niet meer hoeft om te draaien om te zien wat zich achter hem bevindt. Voor en achter, rechts en links, zonder dat je de naden kunt zien is al het zichtbare aan elkaar gelast.

Lang genoeg binnen geweest? Kijk dan uit het raam of loop anders naar buiten. Daar staat hij dan, de ploeg, bedelend om schittering. Hier speelt Braque gelijkspel met het verbruinde metaal, is er geen onderscheid meer tussen de verf en het landbouwwerktuig, dezelfde huid vol horsten, slenken, gleuven en valleien. De ploeg staat op het punt uit elkaar te vallen of misschien kan er toch nog een paar keer mee over het land worden gerost. Wie denkt dat Braque alleen een binnenhuisarchitect is moet zelf maar kijken hoe hij zich over dit naar het niets verbannen stuk roest heeft gebogen.