Een werktuig voor ontroering

Joáo Cabral de Melo Neto: Gedichten. Een bloemlezing. Vertaald door Arie Pos. De Prom, 80 blz. ƒ 14,95

Een dichter die zich door Le Corbusier en Mondriaan laat inspireren kan niet anders dan zich afzetten tegen lyriek. Joáo Cabral de Melo Neto (Brazilië, 1920) keerde zich al in zijn tweede bundel, O engenheiro (De ingenieur, 1945), tegen zijn dichtende generatiegenoten in Zuid-Amerika. Hun poëzie, vond hij, was tezeer een expressie van particuliere emoties die het gedicht ontoegankelijk maakten voor de objectieve lezer. De poëzie moest terug naar haar klassieke bronnen van vóór de Romantiek; het gedicht moest zich weer op communicatie richten. Poëzie was immers in concrete zin - vrij naar Le Corbusier - niet meer dan een 'machine à émouvoir': een werktuig voor ontroering.

Zijn antilyriek bracht Cabral in de Braziliaanse canon op dezelfde hoogte als de in ons land door August Willemsen gepropageerde Carlos Drummond de Andrade. Willemsen was het ook die in 1981 een eerste keuze van Cabrals poëzie publiceerde. Bij de Prom verscheen inmiddels een uitgebreidere bloemlezing, gekozen en vertaald door Arie Pos. Helaas ontbreken in deze uitgave - anders dan in de even voordelig geprijsde poëziereeks van Bert Bakker - de originele gedichten. Per saldo levert dat echter een breder aanbod uit Cabrals imponerende oeuvre. Pos schreef bovendien een omvangrijk nawoord, dat ook ingaat op de essays van Cabral.

Cabral, aldus Pos, 'construeert zijn gedichten als een bouwmeester'. De verzen 'lopen' niet en 'klinken' niet, de syntaxis is tegendraads, het woordgebruik is weerbarstig en de stijl lapidair. De beelden en thema's zijn veelal ontleend aan zijn geboortegrond, het overwegend waterarme landschap van de staat Pernambuco. Een dorre streek dus, maar in alle kaalslag vruchtbaar voor de poëzie, zoals niet alleen blijkt in een cyclus als 'De hond zonder veren', maar ook in de korte gedichten. In 'Kerkhof in Pernambuco' bijvoorbeeld:

In deze aarde rust niemand

een rivier rust immers ook niet

in een andere rivier, en evenmin

is de zee een kerkhof van rivieren.

Geen van de doden van hier

komt gekleed in een kist.

Derhalve worden ze niet begraven

ze worden gelost in de grond.

Ze komen in balkonhangmatten

onbeschut voor zon en regen.

Ze brengen hun eigen vliegen mee.

De grond past hen als een handschoen.

De doden die ze waren in de openlucht

zijn ze vandaag in de open aarde.

Ze behoren zozeer tot de aarde dat die

hun binnendringen niet eens merkt.