Een volk van keisnijders; Genreprenten in het Rijksmuseum

De tentoonstelling 'Spiegel van alledag' ligt in het verlengde van 'Tot Lering en vermaak', de expositie die liet zien dat veel zeventiende-eeuwse schilderijen verborgen betekenissen bevatten. Geldt dat ook voor prenten, of waren dat afbeeldingen van het dagelijks leven? “De kunst heeft het verleden versmald en de historische werkelijkheid tot stereotypen gereduceerd.”

Spiegel van alledag. Nederlandse genreprenten 1550-1700. Rijksmuseum, Amsterdam. T/m 4 mei. Dag. 10-17u. Catalogus ƒ 84,50. Er verschijnt ook een Engelstalige editie.

'Geschiedenis geeft een model òf een beeld', zei de Leidse historicus P.W. Klein in een interview in deze krant van 18 januari. En hij voegde er aan toe dat hij niet van die 'beelden' hield omdat ze hem te 'totalitair' zijn. Je moet er in geloven of niet, er is geen discussie mogelijk. Dat beeld van een periode of van een samenleving waarop Klein doelt wordt in hoge mate opgeroepen door de visuele beelden uit de desbetreffende periode, zoals schilderijen, prenten, wandtapijten, foto's en film. Inderdaad: dat beeld is dwingend voor degenen die er gevoelig voor zijn. De Middeleeuwen zijn bont en morsig, in de Eerste Wereldoorlog viel er altijd motregen over de zompige loopgraven en de jaren vijftig in Nederland zullen dankzij de fotografie blijven bestaan uit fietsers door bloeiende Betuwes en doortastende bouwvakkers die werken aan een herrijzend vaderland. Ook de mensen zelf uit een bepaald tijdperk zijn gefixeerd door kunstenaars. De Grieken en Romeinen hebben nobele gelaatstrekken, Breugel schiep de wereld der zwelgende boeren, Jan Steen typeerde het vrolijke gezelschap van de Gouden Eeuw en Cornelis Troost vertelt ons een eeuw later dat zijn tijdgenoten bepruikt en beheerst in het leven stonden. De kunst heeft het verleden versmald en de historische werkelijkheid tot stereotypen gereduceerd. De vraag is wat de tijdgenoten in die verbeeldingen zagen.

Voor de Nederlandse zeventiende-eeuwse genrevoorstellingen, een term die uit de negentiende eeuw stamt, en die, anders dan bijbelse en mythologische voorstellingen, landschappen, portretten of stillevens, thema's weergeven die uit het leven van alledag gegrepen lijken te zijn, is lang aangenomen dat het realistische momentopnamen van de toenmalige werkelijkheid waren. Inmiddels staat vast dat daarvan geen sprake is. Het zijn constructies, zorgvuldig in het atelier opgebouwd uit elementen die zelf wel realistisch weergegeven zijn. Bovendien is sinds de tentoonstelling Tot Lering en vermaak uit 1976 in het Rijksmuseum het besef doorgedrongen dat in veel van die schilderijen verborgen betekenissen kunnen schuilen. De speurtocht daarnaar is een ware rage geworden die veel onbezonnener vormen heeft aangenomen dan de organisator van die tentoonstelling, Eddy de Jongh, ooit bedoeld heeft. Tegenstemmen gingen daarentegen weer zover de eventuele betekenis te bagatelliseren en de attributen, die als interpretatiesleutels dienden, eerder als formele, picturale elementen op te vatten dan als drager van een boodschap.

Die tentoonstelling van 1976 ging over de betekenissen op genreschilderijen. Nu, 21 jaar later, is er een pendant georganiseerd, gewijd aan genreprenten, eveneens opgezet door De Jongh in samenwerking met de hoofdconservator prenten van het Rijksprentenkabinet Ger Luijten. Deze tentoonstelling is niet alleen fraai door de grote verscheidenheid aan prenten, de hoge kwaliteit ervan, de vele verrassende vondsten die er worden getoond en niet te vergeten de mooie catalogus, maar ook om te zien wat twintig jaar iconologisch onderzoek heeft opgeleverd.

Lofblazers

Prenten hadden een veel grotere verspreiding dan schilderijen. Ze vervulden bij uitstek een rol bij de overdracht van artistieke thema's en ze waren, anders dan schilderijen, vaak voorzien van een verklarende of commentariërende tekst. De prent was een goedkoop substituut voor een schilderij aan de muur. Men kon hem opwaarderen door hem te laten inkleuren, op te plakken of in te lijsten. Prenten naar beroemde schilderijen of beeldhouwwerken of naar andere prenten dienden de kunstenaar tot voorbeeld, als 'lofblazers en trompetters der grootste Schilders', zoals Samuel van Hoogstraten dat in 1678 noemde. Verzamelaars legden collecties van duizenden prenten aan, die ze zorgvuldig gerubriceerd in albums plakten, of bewaarden in portefeuilles.

Spiegel van alledag toont negentig prenten, die min of meer thematisch zijn opgehangen. Er zijn rubrieken over kermissen, over boeren, over vrolijke gezelschappen, over allerlei lieden uit de marge van de maatschappij zoals bedelaars, waarzeggers, draailierspelers, beurzensnijders, kwakzalvers, hoeren en rattekruidverkopers en telkens is geprobeerd door middel van voorlopers en varianten aan te geven hoe lang die thematiek in zwang is geweest en wat de betekenis geweest kan zijn.

Bij de selectie zijn verschillende criteria gehanteerd. Om te beginnen is uitgegaan van 'genrevoorstellingen'. Die worden gedefinieerd als 'taferelen ontleend aan het dagelijks leven met een hoog gehalte aan waarschijnlijkheid'. Opvallend is dat, anders dan twintig jaar geleden, de termen 'realisme' en 'schijnrealisme' niet meer gehanteerd worden. Maar het begrip 'waarschijnlijk' is niet minder problematisch. Hoe waarschijnlijk zijn de herderinnetjes of de kolderieke voorstellingen, zoals van piskijkers en keisnijders, tenzij als schertsfiguur in het theater? En als we die waarschijnlijkheid kunnen vaststellen, dan toch alleen maar met behulp van ander visueel materiaal, waarvan ook niet vast te stellen is hoe 'waarschijnlijk' die is. En wat is 'het dagelijks leven'? Hoe dagelijks is de voorstelling die een eeuw na de eerste druk nog een keer wordt uitgegeven?

Een tweede criterium is de mogelijkheid om de betekenis van de prenten (en daardoor ook van thematisch verwante schilderijen) te achterhalen aan de hand van teksten op die prenten: een titel, spreuken of rijmpjes, of aan de hand van vergelijkbare prenten die van een tekst zijn voorzien. Werd in 1976 vooral verwezen naar embleemboeken, nu is het refentiekader aanzienlijk verruimd. De beschouwer van de prent had destijds, bewust of niet, een heel scala van visuele en verbale associaties in zijn hoofd en die werden niet alleen gevoed door embleemboeken, maar ook door andere beelddragers, zoals geïllustreerde boeken, los verkochte prenten, tegels, uithangborden, en door bijbelcitaten, spreekwoorden, volkse rijmpjes in het dagelijks taalgebruik en door het toneel en niet te vergeten door gebaren. Er is daar nu veel meer gebruik van gemaakt dan twintig jaar geleden.

Een derde criterium is de fraaiheid van de prent en de staat waarin hij verkeert. Dat levert een prachtige verzameling grafiek op. Er hangt werk van of naar beroemde meesters als Breugel, Hendrick Goltzius, Cornelis Bloemaert, Adriaen van Ostade en Rembrandt, van meesters die vooral dankzij hun burijn en etsnaald roem hebben verworven zoals Claes Jansz Visscher en Jan Matham. Maar ook talloze minder bekende kunstenaars zijn tevoorschijn gekomen met verrassende voorstellingen.

Het esthetische criterium spoort niet helemaal met de cultuurhistorische, iconologische invalshoek op deze tentoonstelling. Door de twee benaderingswijzen van de samenstellers wordt nu niet goed duidelijk hoe de geselecteerde thema's zich verhouden tot het totale arsenaal. Ook krijgt men geen goed zicht op de populariteit van bepaalde thema's. Welke voorstellingen waren bijvoorbeeld geliefd bij een groter, minder koopkrachtig publiek dat genoegen nam met slechte drukken, matige kopieën en drukken op goedkoop papier? Die grafiek ontbreekt.

Helderheid

De catalogus, die zo'n 500 afbeeldingen bevat, verschaft daar meer helderheid over. Het valt op hoe hardnekkig en dus geliefd sommige thema's waren. In de vijftiende eeuw liepen de prentmakers voorop in het doen van nieuwe inventies die door de schilderkunst overgenomen moesten worden, aan het eind van de zeventiende eeuw waren de zaken omgekeerd en bestond er nog steeds vraag naar grafiek met thema's die al lang niet meer geschilderd werden. Prenten werden gekopiëerd, of de oude koperplaten werden opnieuw opgewerkt, soms na een eeuw of meer. De catalogus gaat ook in op productie, verspreiding, de contacten tussen kunstenaars, drukkers en uitgevers.

De hele thematiek overziend overheerst de uitbeelding van ongedwongen leven, zowel in de hogere als bij de lagere standen. Het waren in de woorden van een Leidse verzamelaar uit de zeventiende eeuw 'Snaeckeryen van brugel en andere'. Het merendeel loopt parallel met de vrolijke dubbelzinnigheid die ook kenmerkend is voor kluchten en moppenboeken, een leutig soort humor dat zijn wortels in de middeleeuwen heeft en dat even hardnekkig is geweest als in onze ogen zouteloos. Dit soort alledaagse humor met zijn royale portie scatologische en seksuele toespelingen stond in de kunsttheorie laag aangeschreven. De kunst immers moest opwekken 'tot edelmoedige en godvruchtige daden'. En hoe kon een luizenkammende moeder, een dartel herderspaar, een schalkse melkmeid, een musicerend en drinkend gezelschap dat nu doen? En ofwel om de moralisten ter wille te zijn, ofwel om de kunst nog naar een moreel hoger plan te verheffen, werden er expliciet morele boodschappen aan gehecht door middel van teksten. Of zo'n expliciete verbale boodschap diende als een alibi is niet duidelijk. In ieder geval kon een drukker een vrolijke voorstelling van drinkers, vrijers of dobbelaars in een handomdraai voorzien van een commentariërende tekst, vaak van morele aard en de toeschouwer manend stil te staan bij al het vergankelijke en zijn tijd niet te verdoen met beuzelarijen. Wel moeten we daarbij bedenken dat de helft van de bevolking niet kon lezen.

De titel van de tentoonstelling is enigszins misleidend. De prentkunst spiegelde het alledaagse leven evenmin als de schilderkunst. Ten eerste is er een soort thematische canon ontstaan en zijn er talloze aspecten van dat leven van alledag nooit afgebeeld. Ten tweede is wat er is afgebeeld, vertekend. Wanneer we deze prenten toch als een spiegel opvatten en ons onderwerpen aan het door Klein gewraakte totalitaire beeld, dan was Nederland bevolkt door onbehouwen boeren, verlopen kladschilders en geslepen koppelaarsters. Wat deze prenten ons tonen zijn eerder de scherven van een lachspiegel waarin we kijken naar een lang vervlogen tijd en waarin we maar gedeeltelijk iets herkennen en begrijpen. Het is de kracht van deze kunst dat we haar nog zo kunnen waarderen.