Ecuador slaagt er niet in economie op orde te krijgen

ROTTERDAM, 14 FEBR.Ecuador weet zichzelf maar niet te ontdoen van zijn imago als Zuidamerikaanse 'bananenrepubliek'. De crisis die vorige week ontstond toen drie mensen het presidentschap opeisten, is slechts een van de vele gebeurtenissen die de langdurige instabiliteit van het Andes-land onderstrepen.

In 1987 ontvoerde een groep militairen president Febres Cordero. Ze lieten hem pas gaan nadat hun commandant, die van corruptie werd verdacht, was vrijgelaten. Schandalen waarin parlementariërs zich laten omkopen om een bepaalde wet goed te keuren komen regelmatig voor. Het aftreden van ministers wegens malversaties is eveneens schering en inslag. In 1995 bereikten de corruptieschandalen een hoogtepunt, toen de president van het Hooggerechtshof, twee lagere rechters, de toezichthouder op het bankwezen en zes ministers, onder wie twee van financiën, het veld moesten ruimen. Ook de toenmalige vice-president van het land, Alberto Dahik, werd bij deze affaire vervolgd voor malversaties, maar wist te ontkomen door in Costa Rica politiek asiel aan te vragen.

De Ecuadoraanse kiezers lijken weinig geleerd te hebben van alle corruptie-affaires. De in juli gekozen en vorige week afgezette president Abdalá Bucaram beloofde tijdens zijn verkiezingscampagne de corruptie met harde hand aan te pakken. Algemeen bekend was echter dat Bucaram zelf jaren eerder - hij was toen burgemeester van Guayaquil, de tweede stad van het land - naar het buitenland was gevlucht om aantijgingen van corruptie te ontlopen. Een van de redenen dat het land vorige week werd platgelegd door een algemene staking was dat nepotisme en corruptie onder zijn bewind hoogtij vierden.

Malversaties en omkoperij zijn sinds mensenheugenis aan de orde van de dag in Ecuador, terwijl het land al jaren economisch en sociaal op instorten staat. In de jaren zeventig was onder het militaire regime de industrialisatie op gang gekomen, waardoor de economie enigszins begon te groeien. De nieuwe bedrijvigheid kwam echter al vrij snel tot stilstand, hetgeen in de jaren tachtig door verschillende vrij gekozen regeringen geweten werd aan het niet functioneren van de markteconomie. De privatisering van 160 inefficiënte staatsbedrijven is het afgelopen decennium echter nauwelijks van de grond gekomen. Keer op keer ontstond er een patstelling tussen de regering en het parlement, met op de achtergrond de vakbonden die altijd klaarstonden om de straat op te gaan.

In het midden van de jaren tachtig koerste Ecuador af op een financiëel bankroet. De schuldenlast werd steeds hoger en de geldontwaarding liep in de tientallen procenten. In 1987 stopte de staat met het terugbetalen van de geldleningen en begon een lange weg van afspraken met de schuldeisers en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Deze afspraken konden tot drie keer toe niet worden nagekomen omdat de uitgaven te hoog en de inkomsten te laag bleven. Pogingen om de aardolieproduktie - de belangrijkste deviezenbron - op te voeren zijn op niets uitgelopen, omdat de buitenlandse investeringen die daarvoor nodig zijn wegens te rigide regelgeving uitbleven. Ook de schadeclaim van ruim 2.5 miljard gulden die oerwoudindianen hebben ingediend tegen de oliemaatschappij Texaco wegens aantasting van het milieu, heeft niet bijgedragen aan een beter investeringsklimaat. Het tweede exportprodukt, bananen, heeft eveneens zijn plafond bereikt nu de Europese Unie beperkingen hanteert voor de bananenimport uit Latijns Amerika.

De financiële situatie werd verder negatief beïnvloed door de oorlogen die in 1991 en 1995 met Peru uitbraken over een oerwoudstrook van 80 kilometer. Deze hebben het land rond een miljard gulden gekost.

De economische hervormingsplannen die onder de populistische Bucaram in januari werden aangekondigd, kregen in het bedrijfsleven een positief onthaal. In navolging van de Argentijnse president Carlos Menem, wilde Bucaram de munt aan de dollar koppelen en de staatsbedrijven massaal privatiseren. Zijn opzet mislukte omdat hij niet in staat bleek de bevolking te overtuigen van de noodzaak van die hervormingen. Na zijn aftreden zei de dinsdag beëdigde president, Fabián Alarcón, dat bezuinigingen niet vermeden kunnen worden. Zijn regeerperiode is echter beperkt tot anderhalf jaar en het is de vraag of Alarcón in die periode een begin kan maken met zijn hervormingsplannen. De prijsstijgingen tot 200 procent die in januari het gevolg waren van het stopzetten van subsidies, waren immers de aanleiding voor de massale staking die zijn voorganger Bucaram dwong af te treden.

    • Prisco Battes