Echt thee drinken

Omdat de eeuwigheidswaarde van een stuk als Phaedra zo vanzelfsprekend lijkt, is het nog een hele toer om het te verdedigen als iemand het gewicht ervan relativeert.

“Mooi stuk”, luidde het oordeel van mijn gezelschap na de voorstelling van het Theater van het Oosten, “maar met ons heeft het natuurlijk weinig te maken.” Zo'n Phaedra die dood wil alleen al omdat ze verlangt naar de liefde van een man die de hare niet is - dat is toch antiek? Geen mens zou nog in leven zijn als dat onze norm was. Het overspel is niet meer dan een hersenspinsel want niet eens gepleegd: zelfs het object van haar aanbidding weet nog van niets. Een schaduw van een schandaal schuilt misschien in de 'familieband' met Hippolytus, immers de zoon van haar man Theseus. 'Incest' noemt Phaedra haar verboden liefde in Racines versie, maar formeel is dat onjuist. Een bloedband is er niet, Hippolytus is slechts haar stiefzoon.

Verplaatsing van het dramatische gegeven naar onze tijden ligt voor de hand in een discussie over de betekenis van een stuk als Phaedra. De heimelijke verliefdheid van een stiefmoeder op haar meerderjarige pleegzoon zal de eigentijdse rijtjeswoning in de polder niet op de grondvesten doen schudden, daarover zijn de partijen het snel eens. Maar intussen kwijnt de zondares wel weg. Haar hartsvriendin (de voedster in de tragedie) ontfutselt haar het geheim en vervolgens ontrolt zich het drama - zo mag het op dat moment ook in de polder wel genoemd worden. Maar zichzelf dood wensen zal deze Phaedra niet per se als de beste oplossing voorkomen. Ze zal zich om te beginnen eens laten scheiden van losbol Theseus, zelf toch ook allerminst een onbeschreven blad op het stuk van overspeligheid, en dan kan ze verder zien. Wie weet, doet haar herwonnen vrijheid wonderen en was haar verlangen slechts verkapte afkeer van haar wettige echtgenoot.

Zo bezien schreeuwt Phaedra om aanpassing, in de geest van De miraculeuze comeback van Mea Loman van Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch, van wie ik me nu pas realiseer hoe schatplichtig zij zijn aan Euripides, de eerste die de Phaedra-anekdote op schrift stelde. Maar de kracht van het stuk schuilt in de abstractie. Phaedra gaat over verlangen (van welke aard en graad dan ook) versus realiteit, over eergevoel en gezichtsverlies, over (onbeantwoorde) liefde, over wraak en conventies en - uiteindelijk - over de machteloosheid van de mens tegenover zijn eigen emoties. Die maakt hem de speelbal van zichzelf en van de ander die, al was het maar bij wijze van reactie, even heftige gevoelens koestert. Het is de kiem van ieder conflict en een tijdloos mechanisme.

Soms denk ik dat de film, dat nakomertje onder de kunsten, dit beter begrijpt dan het oeroude theater. Hoe verder dat voortschrijdt in zijn ontwikkeling, des te groter lijkt de behoefte om de abstrahering op toneel te laten plaatsvinden.

Realisme is uit den boze: het lijkt soms het hoogste goed om wat - gezien de beperkte middelen van het theater - noodzakelijkerwijs toch al een en al stilering is, nog verder te verkunstelen, tot aan de mystificatie toe. Alles wat verwijst naar de gewone werkelijkheid - het drinken van een kopje thee maar ook heus en bitter huilen - wordt als 'plat' en 'te letterlijk' afgedaan.

Het is een angst die de film, nota bene veel beter in staat de werkelijkheid te evenaren, helemaal niet kent. De film is veel vrijer. Er wordt geen realisme van geëist, maar als dat er is, haalt niemand het in zijn hoofd daar bezwaar tegen te maken. Je zou willen dat er even onbevooroordeeld naar theater gekeken werd en die zogenaamde avant garde-eis van non-realisme aan de laars werd gelapt. Want via de omweg van de schijnbare tegenstelling zitten film en theater toch in hetzelfde schuitje. Phaedra - handenwringend op een kale speelvloer in het theater of kettingrokend in haar natuurgetrouwe woning op het witte doek - kan hoe dan ook niet bestaan zonder de bereidheid van de toeschouwer uit haar lotgevallen het zijne te peuren. Die bereidheid opwekken, op welke manier dan ook: daar gaat het om.