Dispensatie minimumloon levert geen extra banen op

Het kabinet wil de mogelijkheden voor werkgevers verruimen om werknemers minder dan het minimumloon te betalen. Cees Vrins vindt dat een slecht plan. De werkloosheid zal er niet door afnemen. De lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt moeten juist omhoog.

Het kabinet heeft besloten een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer te sturen waarbij het mogelijk wordt om minder dan het minimumloon te betalen. In het wetsvoorstel wordt een groot aantal beperkende voorwaarden gesteld (maximaal twee jaar, scholing, aanstelling ook na twee jaar, minimaal zeventig procent minimumloon, niet voor kostwinners en alleenstaande ouders), maar het signaal is duidelijk genoeg. VVD, D66 en CDA hebben dit al goed begrepen. Bolkestein wil niet alleen deze ene vinger, maar de hele hand.

Het kabinetsplan heeft een aantal grote bezwaren, die overigens ook al duidelijk in het advies van de Sociaal-Economische Raad van 1996 zijn verwoord. Enkele belangrijke bezwaren zijn:

Eén. De maatregel heeft een zeer beperkt effect op de werkgelegenheid en kan zelfs leiden tot afname van werkgelegenheid. In de Macro Economische Verkenningen 1995 heeft het Centraal Planbureau (CPB)indicatieve berekeningen gemaakt van de effecten van een verlaging van de drempel van het minimumloon met tien procent. Een dergelijke, veel ruimere, dispensatie zou volgens het CPB op lange termijn 11.000 banen opleveren, en op middellange termijn slechts 3.000. De maatregel die het kabinet voorstelt is veel beperkter. Het bovenstaande minimale werkgelegenheidseffect zou dan ook nog neerwaarts bijgesteld moeten worden.

Maar ook deze werkgelegenheidsschatting zou wel eens aan de optimistische kant kunnen zijn. Zonder aanpassing van de uitkeringen (hetgeen uit sociale overwegingen ongewenst is) zal de reserveringsproblematiek toenemen. Veel uitkeringsgerechtigden zullen banen onder het minimumloon niet voldoende lonend vinden.

Overigens wordt in de vakliteratuur steeds meer betwijfeld of afschaffing of verlaging van het minimumloon wel leidt tot extra werkgelegenheid. Aannemelijk valt te maken dat een extra werknemer bij afschaffing van het minimumloon duurder is dan de zittende werknemer. Het aannemen van extra werknemers betekent dat het hogere loon niet alleen uitbetaald moet worden aan de nieuw aan te trekken werknemer, maar ook aan de zittende werknemer. Dit maakt het aannemen van extra personeel onaantrekkelijker dan in het geval er sprake is van een minimumloon. De 'efficiency wage theorie' kan verklaren waarom een fatsoenlijk minimumloon leidt tot grotere efficiency (onder meer door een betere motivatie) en positieve werkgelegenheidseffecten.

Overigens zal er bij de bestaande schalen in een groot deel van het bedrijfsleven geen sprake kunnen zijn van betaling onder het minimumloon, omdat er hogere CAO-lonen zijn afgesproken. Als blijkt dat dit inderdaad het geval is en blijft, zal de volgende stap zijn om de Algemeen Verbindend Verklaring van CAO's ter discussie te stellen.

Twee. De mogelijkheid om onder het minimumloon te betalen zal leiden tot een hoge mate van verdringing. Door een combinatie van verlaging van de werkgeverslasten door de Wet Verruiming Afdracht Loonbelasting en de minimumloondispensatie wordt het voor werkgevers wel erg aantrekkelijk om bestaand personeel in te ruilen voor werknemers die onder de dispensatie vallen. De ene kansarme op de arbeidsmarkt wordt ingewisseld voor de ander, maar wel met een nog lager salaris. Door deze sterke prikkel zullen veel werkgevers in de verleiding gebracht worden om op zeer calculerende wijze met de dispensatiemogelijkheden om te gaan.

Drie. Betaling onder het minimumloon is sociaal onaanvaardbaar. Net nu duideiijk wordt dat het minimuminkomensniveau in Nederland onvoldoende is om van rond te komen, wordt een groep 'werkende armen' gecreëerd, die rond moet komen van een zeer minimale beloning. Alleenstaande langdurig werklozen kunnen nu de armoede ontlopen als ze een baan krijgen. Straks zijn er voor velen van hen alleen nog banen die nauwelijks meer betalen dan hun karige uitkering.

De dynamiek van de dispensatiemaatregel is natuurlijk dat straks het verschil tussen het nieuwe minimumloon en de uitkeringen vergroot moet worden, omdat er anders onvoldoende prikkels zijn om deze onderbetaalde banen te accepteren. Hiermee komt ook de behoeftenfunctie van het minimum nog sterker onder druk.

Vier. In het wetsvoorstel wordt een curieus onderscheid gemaakt tussen verschillende leefsituaties. Het is natuurlijk 'sympathiek' dat Melkert de kostwinners en alleenstaande ouders vrijwaart van deze ellende, maar het is wel erg onlogisch. Uiteindelijk zullen de banen alleen acceptabel kunnen zijn voor de tweede verdiener in huishoudens waar al voldoende inkomen is. Hier is dan ook sprake van ongelijke behandeling, omdat vooral vrouwen en migranten worden gedupeerd. Groepen die nu ook al oververtegenwoordigd zijn bij de lage lonen.

Vijf. Ten slotte zijn er grote politieke bezwaren tegen de dispensatie in te brengen. Deze wetgeving leidt onherroepelijk tot sociale onrust. De vakbeweging heeft de laatste vijftien jaar een gematigde politieke lijn gevolgd, waarbij ook maatschappelijke overwegingen een belangrijke rol speelden in het arbeidsvoorwaardenoverleg. Zo heeft de vakbeweging haar looneisen gematigd. De reële loonstijgingen zijn slechts ongeveer de helft van de omringende landen geweest.

Daarnaast heeft de vakbeweging actief gewerkt aan maatregelen om de werkgelegenheid te vergroten, bijvoorbeeld door afspraken te maken over verdere arbeidsduurverkorting, het bevorderen van deeltijd, instroom van moeilijke groepen op de arbeidsmarkt en het introduceren van lage loonschalen in CAO's.

Het is zeer de vraag in hoeverre de vakbeweging hier nog langer aan mee kan werken, nu de politiek de vakbeweging in de rug aanvalt. Want dispensatie van het minimumloon betekent:

risico's voor nog lagere lonen aan de onderkant van het loongebouw; geen solidaire inkomensontwikkeling en het onder druk komen van de sociale zekerheid;

het ter discussie brengen van de functie van CAO's om concurrentie op arbeidsvoorwaarden te beperken;

het introduceren van een klasse van werkende armen, die concurrerend zal werken voor het bestaande loongebouw.

Het minimumloon is de afgelopen jaren behoorlijk achtergebleven. In reële termen met zo'n vijftien tot twintig procent. Ook het sprookje dat het minimumloon in Nederland hoog is in vergelijking met de buurlanden gaat al lang niet meer op.

Het bruto minimumloon is in Nederland momenteel laag ten opzichte van de ons omringende landen. In Nederland bedroeg het vorig jaar 2.184 gulden per maand (index 100). Voor andere Westeuropese landen zag het er als volgt uit: België 2.359 gulden (index 108), Denemarken 3.425 gulden (157), Frankrijk 2.038 gulden (93), Duitsland 2.800 gulden (128) en Groot-Brittannië 2.647 gulden (121).

Het is nu eerder tijd om aan de onderkant van het loongebouw de arbeidsvoorwaarden te verbeteren en de lonen te verhogen. Bijvoorbeeld bij de banenpool, waarbij men blijvend op het minimumloon blijft en er geen goede secundaire arbeidsvoorwaarden (zoals een pensioenvoorziening) zijn. En bij de Melkertbanen, waarbij er sprake is van verplichte deeltijd en grenzen aan de beloning, waardoor deze werknemers een veel te laag loon krijgen.

Terzijde moet overigens nog opgemerkt worden dat werkgevers zelf de lage loonschalen niet eens kunnen opvullen. In plaats van afbraak van het minimum zou er aan de onderkant van het loongebouw gestreefd moeten worden naar fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en een verbetering van de netto-beloning.