De ziek verklaarde sekse rond 1900; Bloedzuigers in de baarmoeder

Karin Johannisson: Het duistere continent. Dokters en vrouwen in het fin-de-siècle. Van Gennep, 304 blz. ƒ 54,90

Was will das Weib, vroeg Sigmund Freud zich ooit af. Een antwoord had hij niet. Voor hem was en bleef 'de vrouw' een raadsel, het 'duistere continent' waaraan de in vertaling uitgebrachte studie van de Zweedse hoogleraar wetenschapsgeschiedenis Karin Johannisson zijn titel ontleent. Andere artsen (m) waren helaas minder terughoudend: 'Als een jong meisje tien kilometer kan lopen zonder bleek te worden of over moeheid te klagen (..) valt te vrezen dat ze niet echt vrouwelijk is'. Aldus in 1888, een Zweeds boek met pedagogische adviezen.

Afgaand op dit citaat, was het in Scandinavië dus niet wezenlijk anders dan elders in de westerse wereld rond de eeuwwisseling. Vrouwen dienden 'vrouwelijk' te zijn en 'vrouwelijk' stond gelijk aan ziek, zwak en misselijk. Alleen al de hoofdstuktitels van het deel waarin Johannisson de toen gangbare 'kwalen' en bijbehorende geneeswijzen bespreekt, vormen een encyclopedie van ellende die je de moed voor welke wandeling dan ook zou ontnemen: 'ziekelijkheid, menstruatie, zwangerschap, menopauze, migraine, chlorose, anorexie, neurasthenie, hysterie, krankzinnigheid'.

Maar het kon nog erger. Want niet alleen lichamelijke activiteit bracht schade toe aan die mysterieuze maar o zo begerenswaardige 'vrouwelijkheid'. Elke inspanning onttrok energie aan het vrouwelijk voortplantingsvermogen en voortplanten was waartoe zij op aarde was. Ook hersenarbeid was taboe voor wie niet haar ware bestemming - huwelijk en moederschap - wilde mislopen. Of liever gezegd: juist hersenarbeid, want denken put de baarmoeder uit en doet de eileiders verschrompelen. De beroemde neuroloog Möbius verklaarde in zijn Ueber den physiologischen Schwachsinn des Weibes de vrouw moreel en intellectueel minderwaardig: een halfwezen tussen Europeaan en neger, en derhalve infantiel, wilszwak, onbetrouwbaar en niet in staat tot enige logica of volharding.

Wie nu optimistisch meent dat deze racistische en seksistische opinies (loten van dezelfde stam) afkomstig waren van zonderlingen, vergist zich. Möbius werd rond 1900 zo'n tien maal herdrukt. Het was de bloeiende, zich vernieuwende medische wetenschap die gedurende de negentiende eeuw een beeld verbreidde van twee seksen die als het ware tot verschillende diersoorten behoren. Het ging bij het sekseverschil niet simpelweg om een klein anatomisch verschil, maar om totaal andere werelden, een tweedeling die mooi is samengevat als: Hij het hoofd, zij het hart.

Met name de nieuwe wetenschap der biologie leverde metaforen voor de sociale verhoudingen die via kwakzalverachtige analogieën tot concrete werkelijkheid werden verheven. Zo werd het toenmalige beeld van de bevruchting opgevat als een symbool van hoe mannen en vrouwen in diepste wezen waren: zij passief als een eicel die moet wachten op vervolmaking van buitenaf, hij actief als de zwiepende spermatozoë op zoek naar prooi. Dit complementaire model werd tot één van de fundamenten van de moderne maatschappelijke orde. Een jachtig bestaan buiten, een veilige haven thuis.

Kuis en moederlijk

Deze filosofie weerspiegelde een ontwikkeling die sinds de Franse revolutie in gang was gezet, een ontwikkeling van toenemende scheiding tussen wonen en werken en van verbanning van vrouwen naar huis, weg uit de openbare wereld. Althans van vrouwen uit de opkomende en expanderende burgerij, die door het propageren van een thuisvrouw zijn eigen stukje klassenstrijd voerde. Naar boven èn naar beneden. Want enerzijds moest dit feminiene ideaal onderstrepen hoezeer de burgervrouw - plichtsgetrouw, kuis en moederlijk als zij was - verschilde van de verdorven aristocrate, die zich meer aan overspel dan aan gezinstaken wijdde. Anderzijds bewees een huisvrouw hoe beschaafd de burgerij was in vergelijking tot de arbeidersklasse, die zijn vrouwen in gemengde werklokalen liet zweten en ongechaperonneerd, als hoeren, over straat liet gaan. Door niet te werken liet een vrouw zien hoe vermogend haar man wel niet was.

Het was dus niet alleen in contrast met 'de' man (want bij zulke indelingen zijn mensen meteen geen individuen meer maar categorieën) dat dit zwakke, passieve en afwachtende vrouwelijkheidsideaal zich ontwikkelde. Het was in eerste instantie ook klassespecifiek. In de industrie maakten vrouwen ondanks zwangerschap, menstruatie en menopauze flinke werkdagen. Het tere bleek-doorschijnende vrouwtje met haar verleidelijk-tuberculeuze uiterlijk, zoals de Engelse Preraphaelites haar zo fraai hebben geschetst, dat almaar zuchtend ter neder moest liggen, was op haar sofa afhankelijk van de harde arbeid van vrouwen die haar tegenbeeld waren: stevig gebouwd, met de grote rode werkhanden van een schoonmaakster of de gebruinde huid van een boerin.

Het treurige van de historische ontwikkeling nadien is dat door een collusie van uiteenlopende politieke en maatschappelijke stromingen (arbeidersbeweging, confessionelen) dit inactieve, zwakke (en elitaire) type vrouw tot norm voor alle vrouwen is gemaakt. Met bijbehorende kostwinner. Blijkens Johannisson geldt ook voor Zweden dat het taboe op arbeid dat eerst alleen de betere standen terroriseerde, vervolgens ook arbeidsters trof. Arbeidsverbod ging in het kader van de collectieve ziekverklaring van de tweede sekse arbeidsbescherming heten. De ideologie van de separate spheres groeide uit tot een totalitaire institutie die haar hoogtepunt vond in de jaren vijftig van onze eeuw en waaraan we nu nog doende zijn ons te ontworstelen. Evenals trouwens aan de bijbehorende medicalisering van het vrouwenlichaam, want nog altijd zijn - in elk geval in Nederland - vrouwen steviger medische consumenten dan mannen.

Het fin de siècle is voor onderzoekers die geïnteresseerd zijn in culturele verandering een mer à boire. Er deed zich eind vorige eeuw een ware explosie voor van nieuwe manieren van denken, leven, kunst, wetenschap en geloof. Hypnose, psychoanalyse, evolutieleer, spiritisme enzovoort. De periode heeft bovendien prachtige literatuur opgeleverd waarin vooral de vrouwelijke hoofdpersonen schitteren: Eline Vere, Constance uit De Boeken der Kleine Zielen, Hedwig uit Van de Koele Meren des Doods, de personages uit het oeuvre van Edith Wharton, Henry James en in Zweden August Strindberg. Die literatuur maakt duidelijk dat het plaatje minder eenduidig was dan hierboven gesuggereerd. Want in feite was het passieve vrouwbeeld, hoe dwingend ook, ten diepste contradictoir.

Onverzadigbaar

Dit is vooral te zien aan de opvattingen over vrouwelijke seksualiteit. Hoewel vrouwen, omdat hun liefde zuiver gericht zou zijn op moederlijke zorg, door de meeste artsen tot het heilige tegengestelde van zoiets laags als seks werden verklaard, waren er ook dokters die - een andere religieuze traditie getrouw - hen juist als onverzadigbaar zagen. Vrouwen stonden 'dichter bij de natuur'. Als de oerkracht van hun seksualiteit eenmaal zou losbarsten, was die meteen ook heviger dan de mannelijke, en liepen vrouwen het risico te verworden tot Idols of Perversity (de titel van het prachtboek hierover van Bram Dijkstra): zwoel, dierlijk, begeerlijk, nymfomaan en gevaarlijk. De grote verslindster, zoals zij door tal van laat-negentiende eeuwse schilders (als Klimt) is getekend.

Er waren er ook die de collectieve kwakkeligheid van 'het zwakke geslacht' juist in verband brachten met de restricties van haar sociale positie. De jonge Weense dokter Freud bijvoorbeeld schreef das Weib wel degelijk seksuele verlangens toe en verklaarde haar kwalen uit de culturele eis tot inperking daarvan. Anderen meenden dat het algemeen geconstateerde gebrek aan seksuele lust bij vrouwen te wijten was aan hun eeuwige angst voor zwangerschap (en dood in het kraambed). Een standpunt dat volgens Johannisson in Zweden niet door feministen werd verkondigd. Onze Aletta Jacobs was wat het propageren van voorbehoedmiddelen betreft ook internationaal een pionier.

Het fin de siècle was geobsedeerd door seks en sekse. De mooie illustraties waarmee Johannisson haar betoog onderstreept, tonen dat allerlei classificaties (goede en verkeerde lichaamsbouw van jonge meisjes, ontwikkeling der borsten) ruime mogelijkheden boden tot wetenschappelijk voyeurisme. Ook het ontstaan van disciplines als gynaecologie en seksuologie valt te interpreteren als symptoom van een mannelijke onderbuik-focus. Vrouwen werden gereduceerd tot voortplantingsmachines. Zo meenden veel medici dat de vrouwelijke reproduktieve organen, omdat die inwendig zijn, hun invloed door het lichaam heen uitstralen en aldus het complete welzijn van een vrouw bepalen. Aangezien er met die organen vaak wat is (een maandelijkse bloeding bijvoorbeeld) was het met vrouwen niet best gesteld.

De uitvinding van een 'ziekte' als kleptomanie illustreert dit. De vrouwelijke biologie zou maken dat vrouwen kunnen worden gegrepen door een plotse onweerstaanbare aandrift tot diefstal van een produkt dat ze niet nodig hebben of best kunnen betalen. Dat dit nieuwe verschijnsel wel eens het resultaat kon zijn van de opkomst van grote stedelijke warenhuizen met nieuwe consumptiegoederen die bestemd waren voor een klasse van vrouwen die noch vrij over straat mocht, noch beschikte over een eigen inkomen - dat inzicht werd door het etiket lust-stelen veilig teruggeduwd in de raadselachtige krochten van de degeneratieve vrouwelijke constitutie.

Over de praktijken die dit medisch denken voortbracht, presenteert Johannisson ware gruwelverhalen. Er werden bloedzuigers in de baarmoeder aangebracht, baarmoeders werden onnodig weggehaald (sterftekans vijftig procent), er werd clitoridectomie toegepast, vrouwen werden blootgesteld aan inwendige spoelingen, aderlatingen en baarmoederfixaties. Heel wat vrouwen overleefden dit gynaecologisch geknoei niet.

De late negentiende eeuw was een periode van hevige debatten en conflicten over mens en wereld, en van grote sociale bewegingen als socialisme en feminisme. Het valt dan ook niet moeilijk aan te tonen dat de medicalisering van vrouwen deel uitmaakte van een antifeministische strategie. Johannisson vergast ons op diverse citaten van artsen die hun vak inzetten om vrouwen opleidingen en werk te verbieden. Omgekeerd stelden feministen dat vrouwen heel wat gezonder zouden worden als hun niet elke zinnige bezigheid werd ontzegd. Zoals in Nederland vrouwenarts Catharina van Tussenbroek in haar befaamde lezing uit 1898 het 'tekort aan levensenergie' bij jonge vrouwen weet aan hun gedwongen niets-doen, zo verkende de Zweedse onderwijshervormster Ellen Key in haar veelgelezen boeken de mogelijkheden van een 'nieuwe vrouw', een vrouw die positief stond tegenover seks en erotiek.

Seksenstrijd

Hoe laat zich de medicalisering van vrouwen nog meer verklaren dan uit de seksenstrijd, het opruimen van concurrentie op de arbeidsmarkt en vrees voor een dalend geboortecijfer? De Amerikaanse arts Mary Putnam schreef in 1895 de slechte gezondheid van vrouwen eenvoudigweg toe aan de artsen, die zich een lucratieve markt creëerden van pillen, poeders en rijke patiëntes. Subtieler en overtuigender is de redenering dat mannen de zwakheid die hunzelf niet was vergund, projecteerden op de andere sekse: 'vrouwelijke ziekelijkheid werd een manier om vorm te geven aan de mannelijke angst in een snel veranderende maatschappij'. (Neurasthenie overigens trof rond 1900 in Amerika diverse vooraanstaande mannen, wat toen eveneens werd toegeschreven aan de haastige moderne tijd.)

En laten we vooral ook de winst niet vergeten die de rol van zieke patiënten oplevert. Want hoe destructief ook op den duur, de cultuur waarin lijden een teken was van verfijning bood zeker voordelen. Maatschappelijk onmachtige vrouwen konden door ziek te zijn althans thuis de zaken enigszins naar hun hand zetten; ze verwierven de aandacht van aardige dokters en liefdevolle zorg van hun familie, ze konden soms op reis om te 'kuren' en last but not least: ze omzeilden seks en creëerden aldus een anticonceptivum.

Een ziekelijke vrouw werd geromantiseerd en op een voetstuk geplaatst. 'De neurasthene vrouw op de chaise-longue, met haar vage en meestal smaakvolle symptomen, werd een symbool voor klassebewuste sensibiliteit, maar ook voor vrouwelijke leegte, verveling en apathie', concludeert Johannisson. Ziekte kon bovendien een vorm van protest zijn tegen een verstikkende situatie.

Dat de medische wetenschap door en door ideologisch is, heeft Johannisson met haar degelijke en toegankelijke, zij het soms wat leerstellige boek opnieuw onderstreept. Ook ziektes zelf zijn tijd- en cultuurgebonden - wat ze overigens niet minder reëel maakt. Aantrekkelijk aan de theoretische benadering van Johannisson is, dat zij dat laatste erkent en zich er dus niet toe beperkt gezondheidsproblemen tot sociale constructie en medische etikettering te verklaren. Ze analyseert ziekte- en sterftecijfers en poogt te verklaren waarom vrouwen inderdaad en masse bepaalde ziektes kregen, en op een ander moment weer andere. Neurasthenie en hysterie bijvoorbeeld zijn geen gangbare diagnoses meer. We hebben nu hyperventilatie, posttraumatische stress en het chronisch moeheidssyndroom.

Maar vrouwen zijn nog wel steeds de ziekste sekse, en ze lijden vaak aan specifieke kwalen als depressie, hoofdpijn en anorexie. Chlorose, ook zo'n verdwenen ziekte, lijkt een voortvloeisel te zijn geweest uit het voorschrift een bleek uiterlijk te cultiveren, zoals anorexie dat werd van de slankheidsdwang. De groenige teint van de bleekzuchtpatiënte kwam door een tekort aan rode bloedlichaampjes, en dat was waarschijnlijk te wijten aan ijzergebrek door aderlatingen, langdurig vasten en gebrek aan lichaamsbeweging. Medici echter verklaarden de epidemische omvang van dit verschijnsel uit het lezen van romans en daaruit resulterende erotische fantasieën. De ziekte vormde dan ook een sterk argument tegen meisjesonderwijs.

Gender

Dokters en vrouwen - het is een mooi, ergerlijk en schier onuitputtelijk onderwerp. Toch vertelt Johannisson, hoe boeiend haar uitgebreide boek ook is, wat de algemene lijn betreft weinig nieuws voor wie al bekend is met het werk van Smith-Rosenberg, Ehrenreich en English, en vooral Elaine Showalter. Showalter analyseerde in The Female Malady (1985) hysterie als typische fin de siècle-ziekte. In Sexual Anarchy (1992) liet ze aan de hand van ontwikkelingen in wetenschap, kunst en literatuur zien hoe groot de betekenis was van gender in dat tijdvak. Op beide boeken heeft Johannisson zwaar geleund. Maar over Scandinavië wisten we tot nu toe weinig, Angelsaksisch georiënteerd als onze historische en sociale wetenschap nu eenmaal is. Door Het duistere continent weten we nu dat het daar toentertijd weinig anders was. Maar hoe zou het verder zijn gegaan? Want als vrouwen ergens op grote schaal zijn gaan werken, en als ergens een gezondere vrouw lijkt te mogen bestaan, is het toch in Zweden.