Dag en nacht aan het woord

Ik droomde dat ik niet sliep en een lofzang op de slaap schreef. Ik werd er wakker van en vond in mijn herinnering twee fragmenten poëzie. Ooit had ik in een gedicht een koor van dode giraffen het woord geleend. De dieren zongen: “Onze kinderen dromen en wij zijn dood,/ de dood is een eeuwig waken./ Wij zouden zo gaarne te ruste gaan,/ zo gaarne slapen.”

Heel mooi. En voor, achter, nevens en tussen hupten twee regels van Guido Gezelle, Boerke Naas: “Hij zei: 'Och, 'k wilde dat ik thuis/ en in mijn bedde waar!' ” Ik houd van die regels. Ik heb ze opgezegd wanneer ik een beurt kreeg op school, een te lange wandeling maakte, geeuwde op kantoor, onzin schreeuwde in een café, zo'n kinderlijk verlangen. Nu droomde ik die regels terwijl ik thuis en in mijn bedde was. Is het dan nooit goed?

Nadat hij vijf minuten aan het woord was geweest zag ik zijn blik oplichten: hij meende te weten waarover hij het had.

Ik droomde blij een reeks aforismen. De enige die ik mij herinnerde toen ik wakker werd was deze: Een benauwde gravin is een kippenren zonder kippen.

Een Amerikaans geworden familielid vertelde over de eerste menstruatie van zijn jongste dochter. Zij had de situatie benut: flauwgevallen op school, door haar vriendinnen naar huis gebracht, haar moeder naar de apotheek gestuurd voor verband en medicijnen. Toen haar vader thuiskwam rende zij de gang op, omhelsde hem en snikte: 'Daddy, you have lost your baby'.

Ik vertelde dit verhaal aan een bevriende vrouw. Haar dochter was bij de eerste menstruatie woedend geworden en had gezegd: 'En dat nu ik eindelijk jong ben.'

Het meest Duitse Duits heb ik horen spreken op de Akropolis van Athene. Een middelbaar echtpaar worstelde zich over de marmerblokken van de Propylaeën naar boven, en de vrouw zei grijnzend: 'Aber die Alten, die müssen einen Schwung in den Kniegelenken gehabt haben'.

Ik droomde een literair-historische ontdekking. Ik had drie ongepubliceerde romans van Willem Kloos gevonden. Toen ik wakker werd herinnerde ik me helaas de titels: A. den Doolaard zwijgt zich dood, Paniekerig en De verborgen verrader.

'Im Dorfe' uit Die Winterreise van Wilhelm Müller, getoonzet door Franz Schubert. De dorpelingen snurken prettig, dromen, zijn 's ochtends hun dromen vergeten. Zij hoeven niet te klagen. Zij hebben hun deel genoten, in de droom, en mogen hopen wat hun ontbreekt de volgende nacht op hun kussen terug te vinden. De romantici droomden anders. Soms heb ik 's nachts zo'n stevige wandeling gemaakt dat ik uitgerust en monter 's morgens mijn elleboogstokken opneem en flierefluitend door mijn huis strompel. Heinrich Heine zou tranen hebben voelen vloeien over bleke wangen.

Heel lang geleden liep ik tegen Pasen in Athene in de wijk van de slagers, samen met een miljoen Atheners. Ik stond plotseling tegenover een Amerikaanse neef die ik in geen tien jaar had gezien. Hij doceerde theoretische natuurkunde in Washington. Hij zei: 'Dit kan niet volgens de kansberekening' en slikte om niet te snikken.

Ik droom zo dom de laatste weken dat ik overdag geen zelfvertrouwen heb.

Iemand vertelt een verhaal. Je luistert met genoegen en onthoudt het. Bij de volgende ontmoeting vertelt hij hetzelfde verhaal en hij is zo oud dat je hem ontziet. Weer dat verhaal, denk je wanneer hij het voor de derde keer vertelt. Je gaat je in de loop van de tijd ergeren. Op een nacht word je geschrokken wakker en denkt: Godbewaarme, wat voor verhaal vertelt die man toch iedere keer?

Ik geloof in toeval noch teken. Wat een aanbod van informatie krijg ik niet iedere dag. Als ik me deze week op de nummerborden van auto's, de volgende op de naam van een Italiaanse schilder, de daaropvolgende op het syndroom van Down concentreer, praat iedereen de eerste week over nummerborden van auto's, de tweede week over die Italiaanse schilder, de derde week over het syndroom van Down. Toeval is mijn keuze.

Een spontaan mens heeft maar een half woord nodig om iets verkeerd te begrijpen.