Commentaarloze roman van Jan Siebelink; Het leven van Vera vertelt zichzelf

Jan Siebelink: Vera. Meulenhoff, 292 blz. ƒ 39,90

Veel van wat zijn vroege werk herkenbaar maakte, heeft Jan Siebelink de laatste tien jaar vastberaden afgeschaft. Verdwenen is de hang naar het macabere en het noodlottige, de broeierige sfeer van zwakke, dwalende figuren, op de vlucht voor iets onduidelijks uit hun verleden. Weg is ook de bijpassende bloemige taal en symboliek, de kunst om de kunst en de opzichtigheid van dien. Het is alsof hij steeds meer opgeeft, loslaat, aflegt, wat het ook mag zijn, om langzaam uit te komen bij een kalme alledaagsheid waar hij zelf niet meer in te herkennen valt. Alsof hij zich onzichtbaar maakt.

Meer dan ooit is dat te zien in Vera, zijn achtste roman en al met al zijn eenentwintigste boek in tweeëntwintig jaar. Hoe je ook zoekt, je vindt bij de verteller niet het minste spoor van commentaar of ironie, van een geheime agenda, het verhaal vertelt zo ongeveer zichzelf. Het is une vie, zoals de naturalisten dat een eeuw geleden noemden - zomaar een leven van zomaar een vrouw. Vader, moeder, studie, vrienden, minnaars, huwelijk en werk, het komt voorbij als in een biografie, meer chronologisch dan logisch. Mensen raken uit het zicht, gebeurtenissen krijgen geen gevolg, het toeval grijpt hardhandig in. Bij tijden lijkt het wel alsof de werkelijke schrijver hier niet Siebelink is maar het leven zelf, chaotisch als gewoonlijk.

Een paar vertrouwde thema's duiken daarbij zijdelings nog op. Veel scènes spelen bijvoorbeeld rond een school, wat Siebelink weer eens de kans geeft zijn ervaringen als leraar Frans op een lyceum te benutten. Veel gedachten draaien bovendien rond vragen des geloofs, wat hem opnieuw in de gelegenheid stelt terug te keren naar het steile calvinisme van zijn kindertijd. Maar meer dan stokpaarden en intermezzi zijn dat niet en onvermijdelijk rijst gaandeweg de vraag wat in dit boek de feiten bij elkaar houdt. Is er ergens nog een samenhang?

Nu blijkt dat, ter geruststelling, ook voor de vrouw over wie het hier gaat een vraag. Vera Dornseiffer groeit op tot een mooie en, zo lijkt het voor de buitenwereld, zelfverzekerde verschijning, een vrouw van het soort waar ieders oog aan kleeft. Maar zelf weet ze niet beter of ze is een buitenbeentje, zonder veel houvast aan haar omgeving. Vriendinnen heeft ze niet en vrienden, minnaars, houdt ze in de regel ook op afstand. Zelfs in haar familie staat ze vaak alleen - en zelfs zo nu en dan bij Daniël Helgers, haar eerste echte liefde en uiteindelijk ook echtgenoot. Ze is niet aangesloten op de wereld, ze past nergens bij.

Om je een eindje mee te nemen in dat isolement laat Siebelink je op gezette tijden naar haar medemensen kijken zoals zij dat doet. Dat levert een verontrustend beeld op. Wat je gaandeweg bemerkt, is dat je wel hun daden ziet, hun woorden hoort, maar vrijwel niets van hun motieven leert. Ze leven volgens een vreemde eigen logica en stellen je daarmee voortdurend voor verrassingen - soms aangenaam, maar meestal beangstigend. Nooit kun je van hen op aan.

Die onberekenbaarheid, die het boek onder een lichte spanning houdt, leidt tot een reeks van misverstanden, waarvan de laatste wel de pijnlijkste is. Vera is inmiddels in de veertig en ziet de dochter die ze van haar Daniël heeft het huis uitgaan. Het meisje, minstens zo gesloten als zijzelf, wordt almaar beniger en stakiger en blijkt ten slotte anorexia te hebben. Vera is verbijsterd. Zestig of zeventig laxeerpillen per etmaal, stiekem, zonder dat zij daar een flauw vermoeden van had, hoe kan zoiets? Ze zoekt de oorzaak bij zichzelf en bij haar echtgenoot. 'Je vroeg je af: Wat deed een gezin eigenlijk?'

Op die vraag geeft ze geen helder antwoord, maar als lezer zie je plotseling een samenhang met eerdere verhalen uit het boek, die toen nog in de lucht bleven hangen. Deze dochter toont opvallende gelijkenis met haar grootmoeder, Vera's moeder dus. Ze heeft hetzelfde gezicht, valt Vera op, dezelfde voorliefde voor kunst en ook eenzelfde soort 'verbetenheid' in oogopslag en houding. En een eetkwaal, vul je automatisch aan, want ook haar moeder leed daar aan, zij het op een andere manier. Haar moeder vrat zich vol.

Wat hier boven water komt, als ik me niet vergis, is een verborgen familiegeschiedenis, die teruggaat tot voor de geboorte van die later volgevreten moeder. In die jaren, kun je in een bijzin vinden, raakte de man die naderhand haar vader werd, besmet met syfilis. Toen zij daar weet van kreeg, moet zij dat hebben opgevat als een haast erfelijke aandoening, een smet die nooit meer weg te wassen viel. Sindsdien sloot ze zich met een dagelijkse portie taart op in haar eigen lichaam - en ontwikkelde daarmee een houding tegenover het bestaan die kennelijk, in het verborgene, tot in de derde generatie doorwerkt.

Dat is wat een gezin kan doen, leert Vera. Een gevoel doorgeven dat je heel je leven in de weg blijft zitten, zonder dat je het zelf doorhebt. Een besef van ziekte en verval, in dit geval, een bijsmaak van de dood, juist in de liefde, in seks, in bezigheden die het leven vieren. Het is een besef dat zich onttrekt aan je bewustzijn, het verschuilt zich in de broeierige onderlagen van de ziel. Het is ongrijpbaar en noodlottig, anders gezegd, en dat maakt het boek ten slotte toch weer tot een echte Siebelink. Het gaat over de macht van het verleden, altijd nog, en over de onmacht die te breken.

Het vreemde is alleen dat je dat makkelijker vaststelt dan navoelt als je het boek weglegt. Ook al is het thema met de jaren onveranderd, de lading van dat thema is dat niet. Met zijn onthechte, onrechtstreekse stijl weet Siebelink de scènes mooi te laten ritselen van onderhuidse spanningen en geheimen, maar aangrijpend wordt het nergens. Het blijft alles in het kleine, kalm, subtiel, bedachtzaam en hoogstaand. Prettig, zou ik bijna zeggen, onderhoudend maar tot niets verplichtend, alsof het onderwerp niet meer is dan een aanleiding tot improvisatie, en dat lijkt me veelbetekenend voor Siebelinks ontwikkeling. Hij nadert het punt waarop hij niet alleen zichzelf onzichtbaar maakt, maar ook de noodzaak van zijn schrijverschap.