CBS: koopkracht minder gunstig

DEN HAAG, 14 FEBR. De verbetering van de koopkracht is minder gunstig dan tot nu toe werd aangenomen. Tot nu wordt rekening gehouden met zogenoemde statische 'koopkrachtplaatjes' die aangaven dat de koopkracht van met name mensen met een baan zich gunstig ontwikkelen. Houdt men echter rekening met sociaal-economische en demografische veranderingen gedurende het werkzame leven, dan is de koopkrachtverbetering aanzienlijk geringer.

Dat stelt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in het 'Jaarboek welvaartsverdeling 1997'. Het jaarboek verscheen vandaag en schetst de samenhang tussen inkomensverdeling en bestedingspatronen. Het CBS meent dat “statische koopkrachtplaatjes vooral voor mensen jonger dan 65 jaar veelal van geringe betekenis zijn”. Dit komt omdat de sociaal-economische en demografische kenmerken van deze groep voortdurende verandert. Wanneer hiermee rekening wordt gehouden blijkt dat de koopkracht de afgelopen tien jaar weliswaar met 18 procent is toegenomen, maar dat deze stijging geheel werd gerealiseerd in de jaren 1985-1990. Hierna verbeterde de door het CBS genoemde 'dynamische koopkracht' nauwelijks meer.

Door een forse toename van het aantal alleenstaanden is volgens het CBS de inkomensongelijkheid in Nederland sinds 1977 8 procent groter geworden. Ruim eenderde van de Nederlandse huishoudens bestaat inmiddels uit alleenstaanden. Het aantal eenpersoonshuishoudens is de afgelopen 35 jaar meer dan verdubbeld. Hun koopkracht daalde in de periode 1977-1995 met 4 procent.

Huishoudens met meerdere personen gingen er juist 6 procent op vooruit. Het inkomen per huishouden lag in 1995 op 45.400 gulden. Gezinnen hadden gemiddeld 55.100 gulden te besteden, voor alleenstaanden lag dit fors lager. Zij hadden een besteedbaar inkomen van 26.100 gulden.

Het aantal tweeverdieners blijft stijgen. In 1962 had 17 procent van de huishoudens een dubbel inkomen, in 1977 gold dit voor één op de drie en in 1994 voor 67 procent van de huishoudens. Al met al moest de afgelopen zes jaar 15 procent van de huishoudens rondkomen van een laag inkomen. Het gaat daarbij vooral om alleenstaande 65-plussers en eenoudergezinnen.

Ook geografisch bestaan er verschillen in de welvaartsverdeling. In veel gemeenten in Noord-Nederland is de koopkracht laag. In Kollummerland is het inkomen het laagst: hier ligt het op 85 procent van het landelijk gemiddelde.