Voorwaarts en vrij veel vergeten

De behoefte binnen de Partij van de Arbeid aan een nieuw beginselprogramma is in het licht van de deïdeologisering begrijpelijk, meent Bram Peper, maar tegelijk aandoenlijk gezien de manier waarop het beginselprogramma in de praktijk functioneert.

De val van de Berlijnse Muur (1989) dreunt nog immer door. In de wereld, in Europa, en - ja ook - in Nederland. Ideologieën, de gestolde vormen van de ideale (mens en) maatschappij, liggen op de schroothoop der geschiedenis. De tweedeling in de wereld, communisme versus de rest, hebben wij achter ons gelaten. Er is een enorme groei van niet-gebonden landen nieuwe stijl. En van niet-gebonden mensen. De democratie als levensstijl en bestuursvorm wint terrein.

De overzichtelijkheid is weg. De beschutting die een ideologie bood, vaak vertaald in vijandbeelden, is verdwenen. Dat is vooral een ongemak voor politieke partijen die, zoals de PvdA, van oudsher met een ideologische bagage 'de' maatschappij tegemoet traden. De minimale ambitie van de PvdA is toch altijd geweest de maatschappij te hervormen, met een knipoog naar de ideale maatschappij. Het menselijke tekort hield zich met name op in kringen die het voor het zeggen hadden.

De welhaast mondiale beweging naar meer vrijheid, zeggenschap, ontvoogding, ontregeling en ontbureaucratisering is maar net op gang gekomen. In Nederland verloopt dit proces, dat al in de jaren zestig is begonnen, in een Nederlands, dus zéér rustig tempo. Na 1989 heeft er hier en daar wel een lichte versnelling plaatsgehad. Zo is het woud van adviesorganen fors uitgedund, sommige overheidsbedrijven staan inmiddels op eigen benen, ook decentralisatie heeft in een aantal sectoren wortel geschoten, de verzorgingsstaat is van enkele rigiditeiten verlost, de winkels mogen wat langer open en de stembureaus zijn maar liefst één uur langer toegankelijk. Maar de bestuurs- en regeldichtheid blijft onverminderd extreem hoog.

Dat in deze 'verwarrende' tijden de PvdA behoefte heeft aan een ideologische herijking - vertaald in: het schrijven van een beginselprogramma - is even begrijpelijk als aandoenlijk. Begrijpelijk omdat de intellectuelen/ideologen in de partij, aan wie meestal zo'n opdracht wordt gegeven, hun prominente plaats hebben verloren; zij proberen door het schrijven van zo'n programma het (hun) verloren terrein te herwinnen. Aandoenlijk, omdat zij als geen ander behoren te weten dat beginselprogramma's, anders dan voor een héél kleine kring, weinig of geen betekenis hebben gehad voor het politieke handelen van alledag.

In zijn veel genoemde, maar weinig (precies) gelezen Den Uyl-lezing (1995), zegt Wim Kok over beginselprogramma's: “Zij ronden - achteraf bezien - eerder een ontwikkeling in het denken af dan dat zij een kader bieden om de zich snel wijzigende werkelijkheid tegemoet te treden, terwijl dat nu juist hun functie is.” Te denken valt aan de programma's van 1959 en 1977.

Door het neerzetten van het huidige maatschappelijke bestel als neoliberaal - met de bijna-toon van een scheldwoord - probeert men een rechtvaardiging te vinden voor het schrijven van een nieuw beginselprogramma. Dat de (neo)Iiberalen van de VVD en D66 zo denken is tot daar aan toe, maar - zo betogen de kritische ideologen binnen de PvdA - dat het neoliberalisme het PvdA-smaldeel van het kabinet-Kok in zijn greep heeft, is hun een gruwel. Door een karikatuur van de huidige politieke en maatschappelijke werkelijkheid te maken, moet gevreesd worden voor een beginselprogramma met een hoog gehalte van onbruikbaarheid, overigens wel passend in de traditie. Maar om idealen uit te dragen zijn niet veel woorden nodig. Troelstra maakte in 1894 (!) met zijn politieke vrienden het eerste programma voor de socialistische beweging “in een paar uurtjes (...) om iets te hebben om mee te kunnen vechten”. (Het Volk, 26 november 1910)

Aan de vooravond van het congres van de PvdA, dat morgen en overmorgen wordt gehouden, is het goed de stand van zaken in de PvdA te verkennen. Het door de nood gedwongen vertrek van Felix Rottenberg geeft daar alle aanleiding toe. Het droeve lot van de politieke partijen - een dramatisch verlies aan leden, teruglopende activiteiten - is genoegzaam bekend. Dat geldt ook voor de PvdA, al is aan de vrije val van het ledenverlies al enige tijd een einde gekomen. De grote, en naar men mag hopen beklijvende, verdienste van Felix Rottenberg is dat hij het beeldmerk van de PvdA ontdaan heeft van zijn zeurderigheid, verongelijktheid, humorloosheid, betweterigheid en vreugdeloosheid. Daarmee heeft hij de PvdA weer politiek aanvaardbaar gemaakt voor nieuwe groepen kiezers. Dat zijn bijvoorbeeld mensen die in tobberige tijden (1980-1990) kennis hebben gemaakt met de arbeidsmarkt en daar voor hun eigen bestaan geen tobberige conclusies aan hebben verbonden. Voor de nieuwe voorzitter, Karin Adelmund, is het de opgave dit beeldmerk vast te houden.

Rottenberg heeft ook programmatisch de partij weer aan het discussiëren - in plaats van amenderen - gekregen, ook met nieuwe groepen leden/kiezers. Op dit congres is aan de orde de afronding van een debat over de moderne sociale zekerheid, op basis van een verdienstelijk rapport dat onder leiding van Karin Adelmund tot stand is gekomen. Voorts zal, naar ik hoop, een standpunt worden betrokken op het punt van de Algemene Ouderdoms Wet (AOW), dat voor de ouderen onbekommerde zekerheid biedt. De vraag of mensen die tot werk in staat zijn, maar zonder werk zijn, verplicht kunnen worden tot nuttige arbeid voor de samenleving, is een ander belangrijk onderwerp. Het buitenland, met name Europa, komt aan de orde op basis van een buitenlandrapport dat zich kenmerkt door een schrale inhoud en een schriele betoogtrant.

In het zicht van de naderende verkiezingen staat de PvdA er niet slecht voor. Door een streng, sober en soms, noodgedwongen, hard beleid heeft Wim Kok als minister van Financiën (1989-1994) mede de grondslag gelegd voor het redelijk succesvolle beleid dat zijn kabinet nu voert. De bijzondere waardering die Wim Kok ondervindt, versterkt op niet mis te verstane wijze de binding van de PvdA-van-Kok met de kiezers-achterban van de PvdA. De 'mensen in het land', nieuwe en oude PvdA-kiezers, zijn trots op de sobere, hard werkende zoon, die voornaam, deskundig en zonder kapsones het land aanvoert. Een zoon die - oneindig veel meer dan zijn tegenstrevers ter linkerzijde aan de man willen brengen - wasecht sociaal en democratisch is: sociaal-democraat in hoofd, hart en nieren. Met Jacques Wallage die - afgezien van het stuntende en stuntelige optreden van enkele zogeheten fractiespecialisten - gezaghebbend zijn fractie leidt, vormt hij een tandem die in déze posities, de PvdA electorale werfkracht bezorgt. Met een bijzondere rol voor de minister van Sociale Zaken, Ad Melkert.

De observatie dat de PvdA als organisatie weinig vitaliteit vertoont - Wim Kok als 'politicus zonder partij' - moet mijns inziens voor de nieuwe voorzitter eerder een aansporing zijn de partijvernieuwing voort te zetten (en daar de tijd voor te nemen) dan vóór de verkiezingen de partij al een bijzondere rol te laten vervullen. De populariteit van Kok bij de kiezers relativeert voorlopig de positie van de partij als organisatie, als vereniging, als politieke kracht. Het zal de komende tijd moeite genoeg kosten een toegankelijk verkiezingsprogramma te maken en dat door de partij vast te laten stellen.

Er valt veel te doen in Nederland. Een veilig Nederland, waar sociale zekerheid en de activering van mensen aan elkaar zijn gekoppeld, een Nederland met een solide en tevens kwaliteit leverend onderwijs, een Nederland waar de grote steden van een visie en dus van een grotere jas worden voorzien. Een Nederland waar - binnen Europa - volop ruimte blijft voor eigen beleid. Een Nederland dat zijn bijdrage levert aan de internationale (rechts)orde. Een Nederland met een overheid die, waar mogelijk, op prestaties wordt beoordeeld, die op afstand blijft van de markt en die dienstverlenend en gezaghebbend weet op te treden. Daarvoor enigszins samenhangende opvattingen te ontwikkelen, deze door toegankelijke idealen te doen inspireren en praktisch uitvoerbaar te maken, is een helse klus. Moeilijker dan het schrijven van een beginselprogramma.