'Vergeten' muziek weer gespeeld

Jac van Steen, onlangs benoemd tot de nieuwe chef-dirigent van de Nürnberger Symphoniker, leidt de komende dagen een concert met muziek van de 'vergeten generatie' Nederlandse componisten, nauwelijks gespeeld sinds de Notenkrakers-actie

Ned. Kamerorkest o.l.v. Jac van Steen m.m.v. Sepp Grotenhuis (piano) en Alexandre Bonnet (harp): 14, 15/2 20.15 uur Yakult Zaal Beurs van Berlage Amsterdam.

AMSTERDAM, 13 FEBR. “Die Kamersymphonie van Landré is wel aardig gemaakt, maar het dirigeren daarvan is niet mijn favoriete levensvervulling. De Kammersymphonie van Schönberg is duizend keer interessanter, al is het een uitdaging om juist Landré zo goed mogelijk te laten klinken. Primavera van Henkemans vind ik wél prachtig, zó fantasievol. Henkemans was een oude baas, ik heb hem erg goed gekend en bij het Residentie Orkest dirigeerde ik in 1994 de première van zijn Derde pianoconcert. Daarna verguisde hij het, hij wilde het nooit meer uitgevoerd hebben, al dirigeer ik het eind mei toch weer bij het Brabants Orkest. Henkemans was al jaren in een diepe crisis, maar ik heb diep respect voor de kleuren en de integriteit, waarmee hij zijn muziek schreef.”

Dirigent Jac van Steen (40) leidt vrijdag en zaterdag in de serie 'Krakende noten' een opmerkelijk concert van het Nederlands Kamerorkest. Op het programma staat Nederlandse muziek van 'de vergeten generatie': Guillaume Landré (1905-'68), Hans Henkemans (1913-'95), Theo Bruins (1929-'93), Jan Wisse (1921), Marius Flothuis (1914) en Kees van Baaren (1906-'70).

De 'vergeten generatie' is de generatie componisten uit het midden van deze eeuw, die van vóór de Notenkrakers van het eind van de jaren '60, zoals Reinbert de Leeuw, Peter Schat en Louis Andriessen.

Al klinkt hun muziek zelden, helemaal vergeten zijn de meeste van deze oudere componisten toch niet. Bruins en Henkemans zijn nog niet lang overleden, wat aanleiding gaf tot necrologieën en herdenkingen. Van Baaren geniet de reputatie juist de leermeester te zijn geweest van de jongere generatie componisten. Hij was trouwens ook de leraar van de 'vergeten' Jan Wisse. Flothuis is nog op allerlei manieren actief. Zijn oeuvrelijst vermeldt 155 composities, de laatste - Quintette en Kleine suite - dateren uit 1995. En ook Wisse leeft nog. Van Steen: “Dat wist ik niet. Dan zal ik hem eens bellen!”

Van Steen vertelt na een van de vijf repetities in de Amsterdamse Beurs van Berlage over de moeilijkheden bij het instuderen. Er staan veel fouten in de orkestpartijen, zodat hij ook wel wil spreken van een “vergeten kopiïstengeneratie”. En dan is er het probleem van Wisses Sette Aforismi (1956). De zeven aforismen tellen elk zes tot zeven maten en variëren in lengte van 15 tot 25 seconden. “In die Webern-achtige stukjes gebeurt zóveel expressiefs, dat ze vanwege de vereiste precisie razend moeilijk zijn om te spelen. We zijn zeker een hele repetitie bezig om dat overeind te krijgen.

“Wisse is leuk, maar alleen omdat het programma als geheel zo gevarieerd is. Landré is romantisch. Henkemans is Frans. Het twaalftoonswerk Sinfonia (1957) van Kees van Baaren levert het orkest speelplezier op, want we veroorloven ons ook enkele vrijheden die het stuk beter doen klinken.

“De Fantasia per arpa e piccolo orchestra (1953) van Flothuis is aardig, braaf, absoluut pretentieloos, met een duidelijke vorm en dankbaar voor de harp. Dat werkt ontspannend, terwijl het Concerto per pianoforte ed orchestra (1952) van Theo Bruins ritmisch uiterst complex is. Het is een geweldige partituur, maar als dat mozaïek niet perfect klinkt, heb je niet in de gaten wat je voor je ziet.”

Van Steen, die in ons land veel eigentijdse muziek dirigeert, vindt de 'vergeten generatie' niet terecht vergeten. “Het is niet van 'leuk dat het nog eens een keer wordt gespeeld'. Toch is het wel begrijpelijk dat die generatie is vergeten, ik denk niet dat iemand deze muziek elke week wil horen. Het is echter een plicht om naast de eigentijdse muziek ook het belegener verleden af en toe te laten klinken.

“Dat gold trouwens ook al voor Abschied (1973) van Reinbert de Leeuw, dat ik in december bij de Nederlandse Muziekdagen dirigeerde. En dat gaat ook gelden voor Indisch Requiem van Peter Schat, dat we vorig jaar bij het Residentie Orkest maar één keer hebben uitgevoerd en toen niet eens is opgenomen. Ik vind dit natuurlijk allemaal leuk om te doen, in Duitsland dirigeer ik zóveel traditioneel repertoire. Oók interessant, maar dit moet.”

Jac van Steen, die in ons land bij vele orkesten optrad, in Limburg en Den Haag directieles geeft en vijf jaar het Nederlands Balletorkest leidde, is afgelopen december benoemd tot chef-dirigent van de Nürnberger Symphoniker. Daar treedt hij al komende september aan in de Meistersingerhalle, een zaal met 2200 plaatsen.

“Die benoeming was een verrassing. Ik heb goede relaties als gastdirigent met orkesten in Hamburg en Berlijn. Verder lagen er vier aanvragen om ergens vast te komen: de opera's van Rostock, Koblenz, Flensburg en Halle. Maar daar zou ik dan nog eerst eens moeten praten of dirigeren. In Neurenberg heb ik in september alleen de Zesde symfonie van Bruckner gedaan en daarna vroegen ze me als chef-dirigent. Het eerste seizoen voor negen weken, later wat meer.

“Ik ben nu net terug van het BBC-orkest in Londen, daar zeggen ze 'Jack' tegen me. In Duitsland zou ik nooit zo worden aangesproken, daar heerst nog een ouderwetse hiërarchie. Zoals ik nu in Nederland functioneer, dat zou ik niet los kunnen laten. Neem dit concert, op Henkemans' Primavera na is het voor mij allemaal nieuw!”