Studer zingt bij Chailly een half debiele Salome

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly m.m.v. o.a. Cheryl Studer en Laurenscantorij. Programma: B. Bartók: De wonderbaarlijke mandarijn; R. Strauss: slotscène Salome. Gehoord: 12/2 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 14/2. Radio 4: 1/3 14 uur.

Het podium van het Amsterdamse Concertgebouw was gisteren te klein voor een avond muziektheater: het Concertgebouworkest trad op in maximale bezetting (met piano en celesta), nog ondersteund door het orgel en een koor. Om dirigent Riccardo Chailly het geheel te kunnen laten leiden was het podium in de zaal uitgebouwd, ten koste van een aantal stoelen.

Na de pauze werd Chailly op dat hulppodium nog geflankeerd door de solisten in de slotscène van Strauss' Salome. In de titelrol zong de sopraan Cheryl Studer, die haar Amsterdamse debuut enkele jaren geleden maakte tijdens het Prinsengrachtconcert op een podium van dekschuiten. Zou ze in Amsterdam ooit nog eens 'gewoon' op het podium staan?

De beroemde Studer komt zeker niet terug als het ligt aan die ene boe-roeper, die zich zeer krachtig liet horen toen de doffe dreunen, waarmee aan het slot Salome wordt gedood, nog niet eens waren verstorven. Het was schrik op schrik - en zó beschouwd wel theatraal. Twee weken geleden werd er na het Schubert-Mozart-concert van Harnoncourt ook al luid 'boe' geroepen. Tot gisteren was zoiets in het Concertgebouw een zeer zeldzaam verschijnsel, sinds gisteren is het alweer bijna gewoon.

Of keerde de ontevreden concertbezoeker zich niet tegen Studer, maar tegen de rest van de vocale solisten? Rudolf Schasning maakte als Herodes, de koning die niet wil toegeven aan Salome's verzoek om het hoofd van Johannes de Doper, een wel erg krachteloze indruk. Maar misschien was het wel de bedoeling om hem juist te typeren als een halve sul.

Kathryn Harries had als Herodias al helemaal niets in te brengen. De balans tussen orkest en solisten was ook niet in het voordeel van de zangers, al is daarvoor soms een legendarische basis in het dirigeren van Strauss zelf in eigen werk. Toen hij in 1909 Elektra repeteerde, riep hij tegen het orkest: “Harder, ik kan Frau Heink nog horen!”

Studer gaf, 'acterend' met veel mimiek, een opmerkelijke karakterisering aan de rol van Salome: niet het welbewust treiterende pubermeisje, niet het sensueel jeugdige toonbeeld van wellustige perversiteit, maar de half-debiele oude vrijster. Maar ze was wel zo'n gekke dwaas van het soort dat in Russische opera's optreedt als de verkondiger van de waarheid: Salome als 'zieneres' en doorschouwer van het leed dat liefde heet. In dit geval is het necrofilie, als Salome de lippen van Johannes' afgehouwen hoofd kust en hem verwijt dat die liefde 'zo bitter' smaakt.

Studer kwam in extreem-extatische momenten tot ijzingwekkend krachtige strakke en stralend hoge noten, die een wrang dubbelzinnig effect opleverden in de combinatie met de orkestbegeleiding. Die werd door Chailly in een bijzonder schel licht gezet: een huiveringwekkend landschap waarin de niets verhullende klankbalans bijna alleen maar barre en rauwe dissonanten ontdekte.

Hier was Salome ontdaan van alle 'normale' klankschoonheid - perfect gespeeld en jammer dat hier niet het hele werk klonk. Vooraf ging nu wel een zelden gespeeld stuk: De wonderbaarlijke mandarijn (1926) van Bartók, ook al een werk dat afdaalt in de duisterste krochten van de menselijke geest. Chailly is een ware maestro in dit soort spectaculair repertoire, dat zich bevindt in de driehoek tussen Strawinsky's Sacre, Bergs Lulu en Strauss' Salome.