Noorden weet nu hoe het bedrijfsleven moet lokken

GRONINGEN, 13 FEBR. Hij zou de steunmaatregelen voor Noord-Nederland zó willen inruilen als er eindelijk eens een integrale visie op Nederland komt. Want Nederland denkt te klein, vindt F. Migchelbrink, directeur van de noordelijke ontwikkelingsmaatschappij (NOM). “Nederland moet zichzelf als één zien. Dat is de enige manier om de internationale concurrentiepositie veilig te stellen.”

Migchelbrink heeft in de 2,5 jaar dat hij directeur bij de NOM is het tij meegehad. Noord-Nederland profiteert volgens hem volop van de nationale economische opleving. “Het gat met de rest van het land wordt niet groter”, aldus Migchelbrink. Het afgelopen jaar was volgens hem voor de NOM een goed jaar. “Voor de acquisitie zelfs fantastisch.” Er werden zestien bedrijven met een totaal investeringsbedrag van 384 miljoen gulden naar het noorden gehaald. Migchelbrink: “We weten nu hoe het moet. Vroeger hielden we ons te veel bezig met bedrijven waarvan we eigenlijk wel wisten dat die hier nooit zouden landen.”

De NOM-directeur is vooral trots op de komst van de Amerikaanse diervoederfabrikant IAMS naar Coevorden, die 150 miljoen investeert. “Samen met EZ hebben we ons daar de pokken voor gewerkt.” De NOM en het ministerie van Economische Zaken wisten IAMS te bewegen de aanvankelijke keuze voor Frankrijk te herzien. Het noorden heeft de ontwikkelingsmaatschappij, in de jaren zeventig door de rijksoverheid opgericht om de regionale economie te stimuleren, ondanks de positieve ontwikkelingen nog steeds nodig, vindt Migchelbrink. “We hebben hier een welzijnsvoorsprong, doordat we meer ruimte hebben dan de Randstad. Maar we hebben een welvaartachterstand.” Die achterstand zal Noord-Nederland binnen twintig jaar kunnen goedmaken, denkt Migchelbrink. Maar dan moet die integrale visie op Nederland er wel komen.

Ten behoeve van de Commissie Langman, die zich voor het kabinet buigt over verbetering van de economische toestand van Noord-Nederland, heeft Migchelbrink zich verdiept in Europese ontwikkelingen. Binnen Europa zijn er volgens hem tien 'Euregio's te onderscheiden, waarvan er zeven in Noordwest-Europa liggen (zoals Île de France, Zuidoost-Engeland, de regio Hamburg-Bremen), die een compleet netwerk van bedrijven huisvesten. Ze kenmerken zich door een bevolkingsconcentratie van vijftien tot twintig miljoen mensen en door een grootte die vergelijkbaar is met Nederland. Bovendien, zo zegt Migchelbrink, zijn ze gecreëerd door infrastructurele maatregelen en ruimtelijke planning. Nederland kan volgens de NOM-directeur in de toekomst alleen goed met die andere gebieden concurreren als het zichzelf als één Euregio ziet. Als gevolg van de harmonisatie in Europa zullen daarbij niet loonkosten, maar factoren als onderwijs, congestie en leefbaarheid een grote rol spelen. “Wie zijn congestieproblemen het beste oplost heeft een voorsprong.”Daarom moet in het hele land infrastructuur worden verbeterd. “En dan moet je geen onzinnige discussies voeren, zoals bij de Betuwelijn en de HSL. Collectieve middelen zijn collectieve middelen.” Migchelbrink acht het vooral van belang dat er goede shortsea-verbindingen worden ontwikkeld tussen Rotterdam, Amsterdam, Den Helder, Harlingen en Delfzijl/Eemshaven.

De noordelijke regio zou volgens hem veel meer dan nu een gebied moeten worden voor industrie die veel grond nodig heeft. De overheid zou dat moeten sturen om de overvolle Randstad te ontlasten.

IAMS in Coevorden beschouwt Migchelbrink als een goed voorbeeld van zo'n vestiging. “IAMS belast de Nederlandse infrastructuur niet. De produkten gaan in Coevorden zo de trein op, Europa in.” In zijn visie moeten wel in een vroeg stadium ruimtelijke keuzes worden gemaakt en concentratiegebieden worden aangewezen, want het noorden moet aantrekkelijk en leefbaar blijven. “We moeten niet dezelfde fout maken als in de Randstad. Niet bij ieder dorp een industrieterrein.”

Den Haag heeft Noord-Nederland in de ogen van de NOM-directeur de afgelopen decennia links laten liggen. Hij trekt de vergelijking met een bedrijf dat in één van zijn divisies niet investeert en na een aantal jaren roept dat dat een goede beslissing was omdat het niet goed gaat met die divisie. Subsidieregelingen als de Investeringspremieregeling (IPR) en het Integraal Structuur Plan (ISP) noemt hij “afkoopsommen”.