In Liefde Bloeyende

Willem van Toorn (geb. 1935)

FABRIQUE

Is dit nog wel een tuin? Wat moet ik met

deze pagode zonder goden, obelisk

die slechts zichzelf gedenkt, een niks

met niks verbindende brug uit Tibet.

Vijvers waar je ook kijkt. Wolken erin

maar van een mens geen spiegelbeeld. Ik buig

mij over leegte. Een jachthuis

waar nooit een jager in woonde. Onzin.

Vond ik je hier, was je een herderin

met valse blossen. Nagespeeld. Niet pluis.

Een tuin is al nagemaakte natuur, en dit gedicht gaat ook nog eens over namaak binnen die namaak. Het beschrijft een tuin met onder meer een pagode en een obelisk, follies derhalve. Follies zijn nutteloze bouwsels, maar ook niet helemaal nutteloos, want soms dienen ze als een memento mori. Follies zijn kunstige bouwsels, maar met een kunstigheid die meestal aan een andere tijd of een ver land is ontleend. “Follies bestaan slechts”, schrijft Wim Meulenkamp in zijn boek over dit onderwerp, “bij de gratie van hun beschouwer, (ze) zijn niet neergezet om in te wonen of te werken, maar hebben enkel en alleen het gebaar tot doel. (-) Met hun bizarre stijl, vorm of verhaal fungeren ze als stenen spiegels van de ziel; zonder de reactie van een passant bestaan ze niet.” Net zomin als schilderijen of gedichten, zeg maar.

Alles aan het onderwerp tuin en folly heeft te maken met namaak, ontlening, onechtheid. Het is de wereld van de grotto, de ruïne, het labyrint. Dit gedicht van Willem van Toorn komt uit een bundel die dan ook Dooltuin (1995) heet. Het is een bundel met tuingedichten. Alle tuingedichten zijn gedichten over kunstigheid en kunst.

Kunstige tuinen zijn populair, ze worden bewonderd en geprezen. Follies brengen bij velen een glimlach teweeg. Ze boezemen soms ontzag in. Ze zorgen voor vervreemding, déjà-vu-gevoelens, schrik. Bij Willem van Toorn niets van dat alles. Hij slaat een heel andere toon aan dan de gemiddelde bewonderaar of dagjesmens.

Is dit nog wel een tuin?

- steekt hij van wal. Het klinkt als: wat moet ik er mee? Zo vervolgt hij zijn gedicht ook. Wat moet ik met... Het pittoreske, het romantische zegt hem niets. Er staat aan het eind van zijn vraag (regel vier) niet eens een vraagteken meer, zo zeker is hij er van dat hij er niks mee moet. Hier kijkt een dichter naar een antiquiserende tuin alsof hij naar de wereld van vandaag kijkt. De dichter ziet er een eredienst zonder inhoud, kerken die tot toonzalen met kampeerartikelen zijn omgebouwd, leegstaande kathedralen Wat moet ik met/ deze pagode zonder goden - de dichter ziet er een gedenkteken dat niet naar de geschiedenis verwijst, dat noch aan een bejubeld staatsman herinnert noch aan gesneuvelde soldaten - obelisk/ die slechts zichzelf gedenkt - de dichter ziet er verdwaalde koppeltekens die niet langer koppelen, hij ziet er van ver gehaalde intermediairs die niet meer bemiddelen - een niks/ met niks verbindende brug uit Tibet - en voor de rest zijn het holen en gaten die hij ziet. Vijvers waar je ook kijkt. De drie begrippen pagode, obelisk en brug staan voor een wereld zonder inhoud, zonder traditie, zonder verbanden. Symbolen zijn voos, er bestaan alleen nog kille, idiote dingen zonder associaties, overkanten bereiken elkaar niet. Ik buig mij over een leegte.

Kortom, een door en door postmodern wereldbeeld. 'Spiegels van de ziel', noemde Wim Meulenkamp de follies. Hier weerspiegelen ze niemand. De vereiste 'passant' komt weliswaar langs, maar 'reactie' blijft uit. De passant ziet zichzelf niet eens. Ook de betekenis en de definitie van de folly zijn dus in het niets verdwenen - net als de geschiedenis.

Een jachthuis/ waar nooit een jager in woonde - zo definieert de dichter nog eenmaal de tuin van onze beschaving, met haar musea en archieven en idealen en wat niet al, om tenslotte tot de conclusie te komen:

Onzin

Onzin is het sleutelwoord van het gedicht. De zin, de zingeving is er uit. De betekenis van het verleden en de doelstellingen van de toekomst - ze zijn zinloos en onzinnig. Betekenisloos en absurd. Waar dit toe heeft geleid maakt de dichter in de beide slotregels duidelijk: tot een wereld waarin zelfs de liefde alleen nog als fake en toneel bestaat.

Als een sinistere nabootsing, zoals in deze tuin van bedriegertjes en echoput in de woorden niet pluis de echo doorklinkt van het woord onzin.

't Lijkt een luchtig gedichtje, met zulke terloopse rijmen als met en Tibet, obelisk en niks, jachthuis en niet pluis - met zo'n frivool rijtje zelfs als erin, onzin en herderin - maar het is als je het goed leest nogal illusieloos. Wie denkt een reprise van het paradijs te geven eindigt met het recyclen van de dood. De wereld van de kunst en de kunstigheid staat voor de dichter model voor de realiteit en de wereld tout court: een maaksel zonder ziel. Het fabrique uit de titel, het heeft betrekking op het gekunstelde en het geconstrueerde, maar ook op de schepping.