Ethiopië leert leven met vrije pers

ADDIS ABEBA, 13 FEBR. In geen enkel Afrikaans land zitten zoveel journalisten gevangen als in Ethiopië. Toch heeft het land een vrijere pers dan menig ander Afrikaans land, aldus een onlangs gepubliceerd rapport van het Amerikaanse instituut Freedom House.

Ethiopië voert sinds 1991 grondige politieke hervormingen door. Na langdurige periodes van oorlog, militaire dictatuur en repressie door uiterst efficiënte veiligheidsdiensten, probeert het een democratie op te bouwen. Maar “er bestaat geen democratische traditie in dit land”, stelt Tamrat Bekele, hoofdredacteur van het weekblad Addis Tribune. “Lange tijd bestond er in Ethiopië het feodalisme, toen het communisme. In geen van beide systemen was plaats voor een vrije pers. De democratie, sinds 1991, is volledig nieuw voor ons, we moeten het nog leren. Ethiopiërs zijn uiterst gevoelig voor kritiek, óók de intellectuelen, die zich juist de grootste voorstanders tonen van pluriformiteit.”

In het land waar in de plaatselijke taal geen woord bestaat voor 'democratie', leren traditioneel antagonistische tribale groepen zich tolerant op te stellen. In de nieuwe grondwet van 1992 liggen de vrijheden van meningsuiting verankerd. Maar zowel bij de overheid als onder de politieke oppositie en bij de media worden deze democratische grondbeginselen niet altijd nageleefd. De jonge pers onderscheidt zich soms door slechte journalistiek, de regering heeft lange tenen en reageert menigmaal met repressie van het vrije woord. In de afgelopen drie jaar werden tegen ruim 150 journalisten gerechtelijke procedures gestart; 14 journalisten zitten in de gevangenis.

Onder keizer Haile Selassie van 1930 tot 1974 en president Mengistu tot 1991 fungeerden de media louter als propagandapapagaaien van de overheid. De zegevierende guerrillastrijders van het Ethiopisch Revolutionair Democratisch Volksfront (EPRDF) beloofden in 1991 voor het eerst in het duizenden jaren oude Ethiopië vrijheid en democratie. In korte tijd verschenen er 300 vrije kranten en weekbladen, waarvan het merendeel inmiddels door geldgebrek alweer is verdwenen. Regering en EPRDF controleren radio, televisie en het nationale dagblad. Deze staatsmedia leveren een al bijna even gezagsgetrouw en slaapverwekkend produkt als onder het feodalisme en het communisme.

De soldaten van het EPRDF beschikten bij hun strijd in de bush over een eigen radiostation en ondergrondse filmstudio's met moderne apparatuur. Deze combinatie van professionele propaganda en nieuwsvoorziening leidde tot opmerkelijk goede oorlogsjournalistiek maar was geen toonbeeld van pluriformiteit. “Direct na de machtsovername door het EPRDF hield de regering zich aan haar beloften over persvrijheid”, zegt Amare Aregawi. Amare kan het weten: hij werkte in de bushdagen als journalist voor het EPRDF, werd na 1991 hoofd van staatsradio en tv en is nu hoofdredacteur van het vrije weekblad The Reporter. “Maar na een tijdje nam de tolerantie onder de machthebbers af en werden vrijheden teruggedraaid.” Met een gezichtsuitdrukking van 'zo gaat het nu eenmaal altijd met machthebbers', concludeert Amare: “Eenmaal aan de macht willen politici zich niet bedreigd voelen, daarom vrezen ze de vrije pers”.

Vrije journalistiek is geen gemakkelijk vak in Ethiopië. Journalisten van de vrije media ontvangen geen uitnodigingen voor persconferenties van ministers of premier Meles Zenawi. Vragen aan ambtenaren blijven onbeantwoord. Publikatie van een ingezonden brief kan leiden tot arrestatie van de hoofdredacteur. Journalisten verdwijnen achter de tralies wegen 'aanwakkering van etnische tegenstellingen' of publikatie van militaire communiqués van gewapende opstandelingen. Hoge boetes of arrestaties leiden gemakkelijk tot sluiting van kritische kranten. “We hebben elf journalisten in dienst, van wie er vier gevangen zitten”, vertelt Derbew Tamesgen, advocaat van de radicale oppositiekrant Tobia. “Met zo weinig mensen kunnen we nauwelijks verder werken. Uit protest komen we daarom in februari drie weken niet uit.”

Bij de verzetsbewegingen tegen het feodalisme en later het communisme stond de vorming van een vrije pers na de bevrijding hoog op het verlanglijstje. Toen de oppositie de macht had overgenomen, kreeg dit ideaal in de praktijk een anders dan verwachte vorm. In de sterk langs tribale en regionale lijnen verdeelde Ethiopische samenleving werd de pers niet zozeer het symbool van het vrije woord als wel een instrument om de tegenstanders mee dwars te zitten. De kwaliteit van de journalistiek dreigt ondergeschikt te worden aan de politieke doeleinden van de publikatie. “Het waren niet de idealistische overwegingen van toen die de leidraad vormen voor de journalisten van de vrije pers”, stelt Amare Aragawi bitter vast. “De vrije pers begon haar werk gedreven door haat. Veel ambtenaren van het regime Mengistu namen de privé-pers over, niet de idealisten van de oppositie.” De meeste bladen van de vrije pers verschijnen in en rond Addis Abeba, een bolwerk van oppositie tegen het huidige regime. Een hoofdredacteur van Tobia bij voorbeeld gaf vroeger leiding aan de nationale censuurraad onder Mengistu.

Nog meer dan elders in Afrika bepalen etnische tegenstellingen de politieke agenda. Het EPRDF-regime heeft zijn oorsprong in de strijd in de noordelijke provincie Tigré; de regimes van Haile Selassie en vervolgens van Mengistu baseerden hun machtspositie onder Amharen in de centrale gebieden rond Addis Abeba. Het EPRDF maakte een einde aan de dominantie van de Amharen in de nationale politiek en introduceerde een voor Afrika unieke politiek van federalisme gebaseerd op tribale afkomst.

Opruiende artikelen in Tobia riepen indirect op tot verzet tegen 'de dominantie van de Tigreërs' en beschuldigde de Tigreërs ervan Ethiopië te vernietigen. Het EPRDF-regime op zijn beurt noemt veel van de oppositiebladen frontorganisaties voor het 'chauvisme van de Amharen'. Hoofdredacteur Hailu Woldetesadik van Tobia spreekt die kritiek niet geheel tegen als hij zegt: “We schrijven over het Ethiopische minderheidsbewind, over de onevenredige verdeling van de nationale ontwikkelingsgelden ten gunste van Tigré en over de controle over de economie door partijfunctionarissen”.

Een hoge Westerse diplomaat uit zijn twijfel over ethiek van de journalistiek in Ethiopië. “De geloofwaardigheid van de vrije pers wordt ondermijnd door de rotzooi die de kranten soms publiceren. Bovendien, de Ethiopische samenleving is nog te fragiel om dergelijke opruiende artikelen te publiceren. Het is alsof je 'Brand!' roept in een propvol theater. Ik ben verbaasd over wat de kranten kunnen publiceren.”

Het gebrek aan journalistieke kwaliteit wordt door journalisten van de vrije media niet ontkend. “O ja, we zijn beginners”, erkent Hailu Woldetesadik van Tobia. “Maar dat is niet de reden van het gebrek aan persvrijheid. Wij geloven dat de regering niet de ontwikkeling wenst van een vrije pers, daarom treedt ze tegen ons op.” Volgens Amare Aregawi wordt de prille persvrijheid bedreigd door zowel regering als journalisten. “De situatie polariseert zich. De regeringspers wordt steeds meer pro-regime, de vrije pers steeds meer anti. Er bestaat te weinig verantwoordelijkheid bij de journalisten en te weinig tolerantie bij de overheid. Het gevolg? Er bestaat in Ethiopië noch een dictatuur noch een vrije uitwisseling van informatie en ideeën.”

'Het is alsof je brand roept in een tjokvol theater'