Enquête minimumloon

DEN HAAG, 13 FEBR. Elf procent van de Nederlandse bevolking is voor afschaffing van het minimumloon, 63 procent is tegen. Het minimumloon is lager dan in omringende landen.

Dat blijkt uit onderzoeken van het Nederlands Instituut voor de Publieke Opinie (NIPO) en uit het European Industrial Labour Review.

Onder de VVD-kiezers is de tegenstand met 32 procent tegen het minimumloon groter dan onder de rest van de Nederlandse bevolking. Niettemin is 46 procent van het VVD-electoraat tegen afschaffing. Het bruto-minimumloon is in Nederland 2.220,40 gulden per maand. In Denemarken ligt het laagste loon 55 procent hoger. Ook in Duitsland (28 procent), Groot-Brittannië (21 procent), Luxemburg (9 procent) en België (8 procent) wordt meer aan minimumloon betaald. Tien jaar geleden werd alleen in Denemarken meer aan minimumloon betaald dan in Nederland.

Vooral in de Zuid-Europese landen ligt het minimumloon-niveau onder dat van Nederland. In Griekenland, Spanje en Portugal is het laagste loon 62 tot 76 procent lager.

Het verhoudingsgewijs lage niveau van het minimumloon wordt gecompenseerd door het geringe deel van de Nederlandse beroepsbevolking dat in de laagste loonschalen werkt. Bij de laatste meting in 1993 was dit percentage afgenomen tot 2,3 procent. In 1976 was dit nog 10,5 procent.

Minister Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) probeert via de laagste loonschalen werkgelegenheid te stimuleren door de werkgeverslasten met 1.830 gulden te verlagen voor werknemers die maximaal 115 procent van het minimumloon verdienen. Dit bedrag loopt op tot bijna 6.500 gulden als een werkgever een langdurig werkloze in dienst neemt.

Melkert denkt met het stimuleren van laagbetaalde banen werknemers de toegang te verlenen tot op termijn hogere inkomensklassen. Uit onderzoek dat het Nederlands Economisch Instituut (NEI) in opdracht van Melkert heeft uitgevoerd blijkt echter dat laagbetaalde werknemers weinig kans maken op promotie.