En wat zij er mee doen

Voor de beleggers van de pensioenfondsen waren de afgelopen jaren een walhalla, maar wat zien de werknemers terug van de naar schatting 250 miljard gulden die de laatste vier jaar is verdiend?

De mogelijkheden om de nieuwe weelde te besteden zijn legio: korting op pensioenpremies, of helemaal geen premies ('premie holiday'), verbetering van de pensioenregeling, het geld oppotten, of een financiële bijdrage leveren aan de overgang van de 'dure' VUT naar bijvoorbeeld een prepensioen, waarbij niet meer bedrijf of bedrijfstak, maar de individuele werknemers sparen voor de kans om eerder te stoppen met werken.

Gegevens over de besteding van de rijkdom worden niet centraal vergaard, zo blijkt na een kleine rondgang door pensioenland. Alle bijna 1100 pensioenfondsen zijn eigen baas en weten vaak niet wat collega's precies regelen. De Verzekeringskamer heeft geen totaalinformatie: zij kijkt uit hoofde van het toezicht alleen per fonds of de pensioenverplichtingen uit de aanwezige beleggingen gefinancieerd kunnen worden en of de verplichte financiële buffers tegen rampen op de financiële markten inderdaad bestaan.

De organisaties van de bedrijfstakpensioenfondsen (die regelingen voor sectoren uitvoeren, zoals de bouw- en de metaalnijverheid) en de ondernemingspensioenfondsen (individuele ondernemingen) hebben evenmin branchegegevens. Wie wat wil weten is aangewezen op de individuele pensioenfondsen. Omdat zij een stichting zijn hoeven de pensioenfondsen geen jaarverslag openbaar te maken, al doen enkele dat wel. Een jaarverslag aan de krant sturen blijkt bij sommige fondsen een zaak die eerst in het pensioenfondsbestuur besproken moet worden. De wet zal binnenkort gewijzigd worden, zodat stichtingen met een omzet van meer dan 6 miljoen voor het eerst over het jaar 1998 een openbaar verslag moeten maken. Dat betekent dat ongeveer 300 pensioenfondsen een publicatieplicht krijgen.

Onder de bestuurders van de fondsen - werkgevers en werknemers - blijkt verschillend te worden gedacht over de mate waarin het bedrijf of de bedrijfstak kan profiteren van de gouden jaren op de financiële markten. Geld teruggeven komt voor, maar is controversieel. Van wie is het geld in het pensioenfonds eigenlijk? Van werknemers, gepensioneerden, het bedrijf, of van iedereen een beetje? Het pensioenfonds van Nedlloyd keerde in 1995 75 miljoen gulden aan het bedrijf uit, nadat overigens eerst de pensioenregelingen sterk waren verbeterd. Dat ging niet zonder slag of stoot: de gepensioneerden dreigden even met juridische acties, omdat de uitkering aan Nedlloyd ten koste ging van het fondsvermogen.

Premiekortingen of premies van nul zijn veel populairder. De KLM hoefde bijna twee jaar geen pensioenpremie te betalen, de NS heeft dankzij een regeling met de overheid nog een 'premie holiday', Unilever betaalt al zeven jaar geen premie voor zijn Nederlandse pensioenfonds, andere bedrijven (Hoogovens, Elsevier) kregen een korting op de pensioenpremie. Zulke premiekortingen komen hoofdzakelijk voor bij pensioenfondsen die voor ondernemingen werken: de band met het opdrachtgevende bedrijf (in pensioenjargon: de sponsor) is veel nauwer dan bij de bedrijfstakfondsen, die de regelingen voor soms tienduizenden werkgevers uitvoeren. In de bedrijfstakken staat de beheersbaarheid van de kosten centraal, legt mr. B. van de Belt van PVF Pensioenen uit. “Voorzichtigheid weegt heel zwaar mee.” PVF Pensioenen is de grootste Nederlandse beheerder (zo'n 40 miljard vermogen) van pensioenfondsen en VUT-stichtingen.

Uit interne cijfers van de adviesfirma WM Company blijkt de omvang van de kortingen: op puur wiskundige grondslag zouden bedrijven 16 procent pensioenpremie moeten heffen, in de praktijk was dat ongeveer 11 procent. Dat scheelt miljarden guldens.

Een nieuwe trend is om het pensioenfonds te laten bijdragen aan een alternatief voor de VUT. Dit systeem is te duur geworden; de premielast wordt steeds zwaarder omdat minder werkenden de uitkeringen betalen voor de groeiende groep vutters. Omzetting in een individueel spaarsysteem als vorm van prepensioen is aantrekkelijk, maar kostbaar. Gedurende tien tot vijftien jaar moeten de werkenden een dubbele premie betalen: voor de uitkering van de huidige vutters en als bijdrage voor hun eigen prepensioen.

Voor vakbonden en werkgevers, die als sociale partners zowel de CAO-onderhandelingen voeren als de pensioenfondsen besturen, is de verleiding groot om de kosten van de overgangsregeling deels 'af te wentelen' op de pensioenfondsen. Het Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven (PVH, 46.000 (ex)deelnemers en gepensioneerden, 3,6 miljard gulden beleggingen in 1995) draagt bijvoorbeeld vanaf 1 januari 1998 300 miljoen bij aan zo'n omzetting van VUT in prepensioen. Ook bij Unilever en Heineken helpt het fonds een handje.

Van de Belt van PVF Pensioenen vindt vermenging van de pensioen- en VUT-problematiek principieel onjuist. “De verleiding is er. In 30 van de 40 VUT-stichtingen die wij beheren loopt de discussie over de toekomst van de VUT.” Hij erkent dat werkgevers en werknemers tijdens CAO-onderhandelingen de pensioenregelingen als integraal onderdeel van de loonruimte zijn gaan beschouwen. Een uitruil tussen verschillende elementen (lagere pensioenpremie om tijdelijk hogere VUT-premies op te vangen) past daarin. “Maar niet het leeghalen van de pot met pensioenvermogen ten bate van prepensioen. Dan ben je bezig iets dat goed geregeld is te vernietigen.”

PVF-directeur vermogensbeheer drs. J. Veldman zegt over de pas verworven rijkdom: “Lets keep it for a rainy day”. En Van de Belt somt op wat de pensioenfondsen over 20 jaar financieel moeten opvangen: de actieve werknemers van nu worden na hun pensioen steeds ouder, terwijl zij daar niet voldoende premies voor betaald hebben. “Dat kost een groot pensioenfonds zo 450 tot 500 miljoen gulden.” De AOW is de afgelopen tien jaar achtergebleven bij de loonstijgingen, een gat dat menig pensioenfonds heeft overbrugd om aansluiting te houden met het pensioen. “Pensioenfondsen zijn bezig hun financiële buffers op te bouwen, bij sommigen was dat ook hard nodig. De nervositeit op de financiële markten maakt dat je voorzichtig moet zijn met het uitgeven van het geld nu.”

Dan is er nog de reparatie van financieringsregelingen uit het verleden, zoals het ouderwetse 65-x systeem, dat er, kort gezegd, op neerkomt dat de werkgever een groot deel van de pensioenpremies voor zijn personeel pas aan het eind van de rit betaalt. In 1995 hadden, zo blijkt uit gegevens van de Verzekeringskamer, nog ongeveer 60 pensioenfondsen deze financieringsmethodiek. Vooral bij bedrijven in de industrie was deze methode populair. Vooruitlopend op een verbod op deze regelingen, dat staatssecretaris De Grave van Sociale Zaken voorbereidt, zijn pensioenfondsen bezig hun financiële huishouding een steviger basis te geven. Het Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid is er al vanaf gestapt. PVF beheert nog een fonds met dit 65-x systeem, het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie. De hoge beleggingsopbrengsten van de afgelopen jaren worden gebruikt om de overgang naar een ander systeem te financieren.

Het verdiende geld oppotten is helemaal geen gek idee, vindt ook adviseur drs. L. ten Cate van Wilshire Associates. “De pensioenfondsen verdienden de laatste jaren meer dan de bedrijven. De fondsen betalen geen vennootschapsbelasting. Als de nood aan de man komt, kun je overtollig vermogen altijd nog uitkeren.”