'Een beetje naar links, die ijspegel kan afbreken'

Dertienhonderd Nederlandse mariniers oefenen onder pooltemperaturen in Noord-Noorwegen. De militaire dreiging uit het oosten is verminderd, maar de mariniers zeggen dat hun ervaringen hier wereldwijd vruchten afwerpen.

BRENFJELL, 13 FEBR. Rogier Holtzer neemt in zijn witte nylonpak een kleine korte bocht en skiet met volle bepakking in het ijswak. Buiten is het min 20 graden en er staat een flinke wind in Brenfjell. In het wak breekt hij door een vliesdun ijslaagje. Eerst gooit hij zijn rugzak af, daarna moeten de skies uit. Andere mariniers helpen hem langs de ijswand van één meter dik op de kant. Na een warm kopje thee duikt hij meteen de door nafta-branders verwarmde tent in.

“Het water is betrekkelijk warm”, zegt hij terwijl hij met een grote handdoek in alle rust zijn rug droogt. “Het hoort er allemaal bij. Dit is de koudweer training en je moet het gedaan hebben!” Straks in het thuiskamp Doorn krijgt hij een schildje opgespeld. De mariniers noemen het embleem “hijgend hert”. Het is het felbegeerde teken dat je Noord-Noorwegen hebt overleefd.

De mariniers zijn dit keer met twee bataljons naar Noorwegen gekomen. Wie het er twee maanden onder barre omstandigheden goed afbrengt, legt de basis voor inzet in Bosnië, Cambodja, Haïti of waar dan ook, zegt kolonel Patrick Cammaert, de commandant van de operationele eenheden. “Het is belangrijk voor het junior leadership en de volledige inzetbaarheid van ons korps.” De mariniers slapen in kleine witte tenten of desnoods in uitgegraven sneeuwhutten. Ze skiën patrouilles met volledige bepakking (35 kilo) en bewapening. Zij zijn volledig op elkaar aangewezen. Iedereen heeft zijn buddy.

Mag-schutter Remko de Vries heeft achter zijn wapenopstelling een sneeuwzitje gebeiteld. Er liggen wat dennetakken en twijgen op om de sneeuw niet te laten smelten. De Vries vindt de opleiding “heel pittig”, maar na een paar weken gaat het hem beter af. “Je leert hier dat je geen fouten mag maken, anders breng je de anderen in gevaar.” Als zijn kleren bij de wacht achter zijn mitrailleur nat zijn geworden, droogt hij ze aan een touwtje in de tent. Zijn ze daarna nog nat, dan moeten ze 's nachts mee in de driedubbele slaapzak. Onder de oksels of tussen de benen drogen de kleren het beste.

Verderop, waar de boomgrens afloopt, liggen de mariniers van de 23ste infanteriecompagnie in sneeuwhutten. Als ze een tijdelijk onderkomen moeten zoeken, graven ze in drie uur hun eigen hut van drie verdiepingen. Eerst twee ruime trappen om de wind buiten te houden en dan een verhoging om op kleine rubbermatjes of in een luxe geval op rendierhuiden te slapen.

Binnen is het rond het vriespunt. Er brandt een kaarsje om te controleren of er voldoende zuurstof is in de hut. Een skistok steekt naar buiten om de ventilatie te regelen. Soms komt 's nachts het plafond flink lager. Stort het dak helemaal in, dan scheppen de mariniers zich naar buiten. Of ze krijgen hulp van de mariniers en hun buddy's die buiten de wacht houden.

In de buurt van het basiskamp klauteren twee 'mountain leaders' boven een ravijn met ijshamers naar boven. Om de beurt spannen ze het perlontouw en slaan ze schroeven in de bevroren waterval. Hun opleiding krijgen zij in negen maanden in het Verenigd Koninkrijk. In Noorwegen worden ze ingezet om verkenningen uit te voeren en het terrein te onderzoeken. Sergeant-majoor Erik Kostelijk volgt beide mariniers met zijn kijker. Door de ijle lucht geeft hij instructies: “Een beetje naar links, die ijspegel kan afbreken.”

De bevolking in dit gebied van Noord-Noorwegen - het is zo groot als Denemarken, België en Nederland samen en er wonen slechts 500.000 Noren en Lappen - ziet de Nederlanders graag komen. Want ze doen er veel inkopen, ze huren onderkomens en ze hebben transport nodig. Als de troepen een beetje op het milieu letten, is alles in orde.

In Reitan, honderd meter onder het rotsgebergte, ligt het Noorse noordelijke commando MNC. Binnen in een kale eetzaal zit generaal-majoor Lutnes. Hij zegt blij te zijn met deze oefeningen. Het geeft de Noren het gevoel toch bij Europa te horen, ook al stemden zij tegen toetreding tot de Europese Unie. “De dreiging van de Russen mag zijn afgenomen, hun militaire capaciteit is er nog steeds. We zitten hier aan de flank van de Navo en daar heb je nog altijd grote concentraties Russische troepen en materieel.”

Lutnes zegt dat hij de Russische commandant in de basis aan de andere kant van de grens heeft uitgenodigd om een kijkje te komen nemen. “Maar hij kwam niet”, vertelt Lutnes, “ondanks al die jaren van ontspanning. Misschien ziet hij het als een teken van zwakte tegenover zijn eigen troepen. Die Russen daar hebben nogal wat moeilijkheden met soldij en materieel. Toch moeten we voor die militaire capaciteit beducht blijven. Het is goed dat de Hollanders een handje helpen. Ze komen hier al 25 jaar en we willen ze niet graag missen.”

Op iedere locatie hebben de mariniers wel een vraag aan minister Voorhoeve, die in Noord-Noorwegen op bezoek is. Waarom worden de hospikken bij wet gedwongen minder medische handelingen zelf te verrichten? Waarom mag volgens de Arbowet de rugzak niet zwaarder zijn dan 25 kilo? Waarom moeten ze soms nog steeds werken met verouderde verbindingsapparatuur? En de belangrijkste vraag is: waarom wordt het Korps Mariniers, dat zo zijn mannetje staat in de wereld, niet uitgebreid? Voorhoeve zegt blij te zijn dat de mariniers zich zo vrij voelen hem dat allemaal te vragen.

Op de terugweg naar het basiskamp is chauffeur Patrick Zwerus blij met dit bezoek: “Jullie hebben de wintertraining nu tenminste aan jullie eigen oren kunnen voelen”, vertelt hij. “En de minister heeft onze patrouilles gezien achter de BV-terreinwagens. Die reden met dertig kilometer per uur door de stuifsneeuw. Zoals het hoort. Als ze ons sturen, zijn er geen bijzonderheden.”