De ontdekking van Juan Schuver

Op een zolder in Amsterdam werd onlangs een doos met dagboeken, brieven, aantekeningen, kaarten en foto's van de tot op dat moment onbekende Juan Schuver gevonden. Het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden wijdt nu een expositie aan de Nederlandse ontdekkingsreiziger.

Op ontdekkingsreis in Afrika: uit het dagboek van Juan Maria Schuver (1852-1883). T/m 13 juli; Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenstraat 1, Leiden, tel. 071-5168800, di t/m vr 10-17u, za, zo en feestdagen 12-17u.

Tot voor kort had bijna niemand van de Nederlandse ontdekkingsreiziger Juan Schuver gehoord. Livingstone, Stanley, John Speke, James Grant en de Haagse freule Alexandrine Tinne, ja, die kende men wel. Maar Schuver? Nee.

In 1985 stuitte de Engelse geleerde Wendy James bij cultureel antropologisch onderzoek in Zuidwest-Soedan op de naam Schuver. Deze had van 1880 tot 1883 door Noordoost-Afrika gereisd en daarvan verslag gedaan in onder andere Petermanns Mitteilungen, een beroemd negentiende-eeuws Duits wetenschappelijk tijdschrift. James raakte gefascineerd door Schuvers artikelen over (soms al verdwenen) volkeren als de Dinka, Koma en de Oromo. Ze wilde meer weten over deze Nederlander.

Ze vroeg haar oude kennis Harry Leijten van het Tropenmuseum om hulp. Hij wist ook niets beters te bedenken dan in het telefoonboek kijken of er ergens nog een nazaat woonde. Dat bleek zowaar het geval te zijn. Via via kwamen ze in contact met een oud-tante, zuster Ursula, die in een klooster in Zwitserland woonde. Zij wist nog dat een ver familielid in Afrika was opgegeten door een krokodil. Bovendien vertelde ze dat er 'op de jodenzolder' in een woning aan de Amsteldijk in Amsterdam nog een schoenendoos met papieren van hem moest staan. Inderdaad vonden James en Leijten in een bergruimte boven de schuifdeuren de vergeten nalatenschap van de Nederlandse ontdekkingsreiziger: dagboeken, brieven, aantekeningen, kaarten en foto's. Later bleek ook nog eens dat in het depot van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden al jaren een verzameling Afrikaanse gebruiksvoorwerpen lag met daaraan het tot dan toe nietszeggende naamkaartje 'Schuver'.

Het onderzoek naar de nalatenschap van Schuver, die eigenlijk gewoon Jan heette, is inmiddels afgerond. Eind vorig jaar verscheen een dik wetenschappelijk boek over Schuvers reizen en het museum in Leiden eert hem sinds kort met een bescheiden, maar zeer smaakvol ingerichte tentoonstelling. In negentiende-eeuws aandoende houten vitrines is Schuvers uiteenlopende verzameling van etnografische objecten opgesteld. En ook de met vaste hand geschreven dagboeken ontbreken niet. Hierin toont Schuver zich een begenadigd schrijver met gevoel voor humor en ironie. Zo beschrijft hij met verve de dikke Abdul Agh, de gouverneur van het Soedanese Karkoj (Soedan viel in die tijd voor een groot deel onder Turks-Egyptisch bewind). Gekleed in een fel gekleurde chintz kamerjas en met een paarse slaapmuts op sprak Abdul Agh recht over zijn onderdanen “alsof de geest van Salomon over hem is neergedaald”.

De tentoonstelling is ook leuk voor kinderen. In een fraai vormgegeven boekje staat een rondleiding met opdrachten beschreven, waarmee kinderen kunnen rondlopen in een speciaal voor hen ingericht deel. Zo is er het gevarenhok: een geheel donkere ruimte waar twee zaklantaarns hangen die je kunt richten op de (opgezette) gevaren die Schuver op zijn reis tegenkwam: leeuwen, hyena's, maar ook insekten zoals de ziekten overbrengende tsetsevlieg. En overal weerklinkt de stem van Coen Flink die voordraagt uit de dagboeken en het levensverhaal van Jan Schuver vertelt.

Na een Grand Tour door Europa op amper twintigjarige leeftijd krijgt de jonge Schuver de smaak te pakken van avontuur, reizen en vreemde streken. Hij verslaat als speciaal correspondent voor het Algemeen Handelsblad de Spaanse burgeroorlog van 1873-1876 en de Russisch-Turkse oorlog op de Balkan. In 1879 overlijdt zijn vader - een geslaagd handelaar - en erft hij een half miljoen. Hij gebruikt het geld om zijn grote droom te realiseren: hij wordt ontdekkingsreiziger. Een van de redenen dat zijn naam in de vergetelheid is geraakt is het feit dat Schuver weliswaar op plekken was waar geen blanke vóór hem was geweest, maar geen spectaculaire ontdekkingen heeft gedaan. Hij meende wel het uit de geruchten bekende Baro-meer ontdekt te hebben. Hij hernoemde het 'Haarlemmermeer' - om een door vlijt en volharding van zijn landgenoten verdwenen naam 'op de wereld terug te roepen'. Later bleek dat de watervlakte die hij gezien had niet meer was dan een periodieke overstroming van de Sobat.

Tot na zijn dood leefde Schuver bij enkele volkeren voort als 'De vader der honden'. Op zijn tocht werd hij namelijk behalve door enkele dragers en bedienden vergezeld door twee langharige honden: Kar en Ita. Schuver zag Ita verslonden worden door een krokodil: 'Nog even zag ik haar kop, vol angst opgeheven naar de hemel, maar toen verdween ze in de golven.' Ita's dood redde echter Schuvers leven, want hij stond juist op het punt een bad te nemen op de plek die volgens de lokale bevolking veilig was.

Zuster Ursula blijkt in verband met de dood van haar verre familielid dus alleen de klok te hebben horen luiden. In werkelijkheid overleed Schuver in 1883 door een Dinka-speer. Hij was - in een tijd dat de Dinka steeds meer in opstand kwamen tegen het Turks-Egyptische bewind - via een alternatieve route langs de Witte Nijl op weg naar de binnenlanden. Hij hoopte dat 'de Negers' onderscheid zouden weten te maken tussen een 'vreedzamen reiziger' en 'het turksche onderdrukkersgespuis'. Na een aanvankelijk vriendelijke ontmoeting met de Dinka pakte een van hen zijn geweer af. In het daaropvolgende tumult stak iemand zijn speer in Schuvers rug. Hij was op slag dood. Slechts zijn bediende wist te ontkomen en kon de buitenwereld vertellen van Schuvers dood.

Twee jaar eerder had een Dinka-slaaf hem zijn dood voorspeld. Dat verklaart Schuvers laatste woorden aan de vooravond van zijn vertrek in een brief aan een oom: 'Zij dit mijn laatste woord - geloof niet dat de eerzucht om een naam te maken mij naar mijn noodlot heenstuurde - iets veel diepers, dat ik niet schrijven mag, iets edelers was mijn drijfveer. Dus morgen vooruit!'