Test voor schuldenplan

ROTTERDAM, 12 FEBR. Oeganda zal als eerste van de armste landen vrijwel zeker nog dit jaar kunnen profiteren van het in september goedgekeurde plan van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank voor verlichting van multilaterale en bilaterale schulden. Bolivia kan spoedig daarna volgen.

In de Oegandese hoofdstad Kampala zijn beslissende onderhandelingen gaande met delegaties van IMF en Wereldbank, waarbij moet worden vastgesteld op hoeveel schuldverlichting Oeganda in principe aanspraak kan maken. Ook in de Boliviaanse hoofdstad lopen onderhandelingen, maar deze gesprekken zijn in een minder gevorderd stadium.

“De nog openstaande kwesties zullen worden afgerond,” zo voorspelde de Oegandese toponderhandelaar Damoni Kitabire. Hij sprak onlangs in Den Haag tijdens een symposium van Eurodad, een samenwerkingsorgaan van internationale non-gouvernementele organisaties dat zich speciaal met de schuldenproblematiek bezighoudt.

Voor het schuldverlichtingsplan van IMF en Wereldbank komen acht tot twintiglanden in aanmerking met een totale schuld van 97 miljard dollar. Het schuldverlichtingsplan gaat 5,6 tot 7,7 miljard dollar kosten, waaraan ook de bilaterale donoren in de Club van Parijs bijdragen.

De onderhandelingen in Kampala spitsen zich toe op wat in ontwikkelingsjargon de debt sustainability analysis. Of wel: welke schuld kan een land dragen?

Volgens het initiatief van IMF en Wereldbank kunnen zo'n acht tot twintig landen voor schuldverlichting in aanmerking komen waarvan de schuldenlast als “onhoudbaar” of “moeilijk houdbaar” wordt aangemerkt. Het gaat hierbij om landen waarvan rente- en aflossingsverplichtingen groter zijn dan 20 à 25 procent van de export en de totale schuldomvang 200 tot 250 procent bedraagt van de export.

De buitenlandse schuld van Oeganda beloopt volgens officiële cijfers 3,3 miljard dollar. De jaarlijkse schuldverplichting van Oeganda kwam in 1994/95 uit op 26 procent van de export. De totale schuld als percentage van de schuld stond in 1995/96 op 237 procent.

Een sleutelkwestie voor Oeganda is de tijdsperiode die voor de exportwaarde wordt gehanteerd. Want die is mede bepalend voor de schuldverlichting waarop het land aanspraak kan maken. Als de gemiddelde exportwaarde van de afgelopen zes jaar wordt gehanteerd, stijgt de schuld/exportquote namelijk naar 314 procent.

Dat komt omdat de Oegandese export voor niet minder dan 68 procent afhankelijk is van koffie. De exportopbrengsten schommelen dus sterk met de wereldmarktprijzen. Zo wordt de exportopbrengst van 1995/96 sterk vertekend door een 'boom' op de koffiemarkt. Oeganda wil een periode van zes jaar hanteren. De gemiddelde exportopbrengst geeft dan een reëler beeld, omdat daarin ook dalende prijzen voorkomen.

In het schuldeninitiatief van IMF en Wereldbank speelt een dergelijke 'kwetsbaarheid' in de export mee bij de beoordeling van wat een “onhoudbare” schuld is. Oeganda wil op grond van haar kwetsbaarheid dat IMF en Wereldbank bij de vaststelling van de schuldverlichting de ondergrenzen van de quotes voor schuldverplichtingen en schulden hanteert, te weten respectievelijk 20 en 200 procent.

De Oegandese regering maakt zich er ook sterk voor dat sociale indicatoren worden meegenomen in de beoordeling. Zij kan hierbij verwijzen naar beloften die IMF en Wereldbank tijdens de jongste jaarvergadering aan de armste schuldenlanden hebben gedaan. Het inkomen per hoofd in Oeganda is met ruim 240 dollar per jaar een van de laagste ter wereld. Bovendien staat het land heel laag (op de 155-ste plaats) op de Human Development Index van de VN-ontwikkelingsorganisatie UNDP. Meer dan de helft van de Oegandezen leeft onder de armoedegrens, de levensverwachting is slechts 47 jaar en 185 van elke 1000 kinderen sterft voor het vijfde levensjaar.

Hoe meer schuldverlichting, deste meer geld kan de Oegandese regering aan armoedebestrijding besteden, zo is de redenering. Kampala wijst er in dit verband op dat in 1995/96 26 procent van het overheidsbudget aan rente- en aflossing van schulden moest worden besteed. In het schuldeninitiatief van IMF en Wereldbank is echter geen duidelijk gedefinieerd begrotingscriterium opgenomen, wat de discussie er niet eenvoudiger op maakt.

Bij de Wereldbank lijkt men wat gevoeliger voor de argumenten van Oeganda op het laatste punt dan bij het IMF. Vooral voor het IMF was het plan voor multilaterale schuldverlichting immers de grootste cultuuromslag, die het scherpst wordt geïllustreerd door de bereidheid voor realisering van het plan een klein deel van de goudvoorraad te verkopen.

Om de beide instellingen van haar goede bedoelingen te overtuigen heeft de Oegandese regering lokale non-gouvernementele organisaties (ngo's) de rol van 'monitor' gegeven. De ngo's moeten erop toezien dat financiële ruimte die vrijkomt door schuldverlichting ook daadwerkelijk wordt gebruikt voor met name gezondheidszorg, onderwijs en armoedebestrijding.

Oeganda heeft inmiddels voldaan aan de eis van een driejarige 'track-record', Eigenlijk moeten landen ook gedurende een tweede periode van drie jaar nog een dergelijk bewijs van goed bedrag halen. Maar IMF en Wereldbank willen dit flexibel toepassen. Door jaren van economische hervormingsbeleid, met hulp van het IMF, hoeft deze tweede termijn voor Oeganda nog geen jaar te duren.

Eurodad-coördinator T. van Hees is er nog niet helemaal gerust op. “Wij zijn bezorgd dat Oeganda pas in 1998 zal profiteren, ook al is het land de beste kandidaat. Want door de voorbeeldwerking zal het IMF het voor Oeganda niet gemakkelijk willen maken. Andere landen komen dan misschien pas na 2000 voor schuldverlichting in aanmerking.”

    • Hans Buddingh'