Talibaan rukken schijnbaar moeiteloos op

De Talibaan lijken hun greep op Afghanistan te verstevigen. Hoewel de streng islamitische strijders diplomatiek nog zeer geïsoleerd staan, dringt het besef ook internationaal door dat men voorlopig niet buiten hen om kan in het strategische hart van Centraal-Azië.

KABUL, 12 FEBR. De opmars van de Talibaan in Afghanistan lijkt na enkele haperingen afgelopen herfst op volle kracht te zijn hervat. Moeiteloos slaagden de Talibaan er vorige maand in de vruchtbare Shomali-vallei en de luchtmachtbasis Bagram ten noorden van Kabul te heroveren.

Het lijkt nog slechts een kwestie van tijd voor ze hun ultraconservatieve vlag ook zullen planten in het derde deel van Afghanistan dat hun tot dusverre is ontglipt. Daarom tonen de Talibaan nu geen interesse voor vredesoverleg, ongeacht of dat nu, zoals vorige maand, plaats heeft onder auspiciën van Iran of van de speciale gezant van de Verenigde Naties voor Afghanistan, Norbert Holl.

Steeds talrijker worden de berichten dat hun voornaamste overgebleven tegenstanders, de Oezbeekse krijgsheer Abdul Rasheed Dostam en de Tadzjiekse aanvoerder Ahmed Shah Massoud, in grote moeilijkheden verkeren. Dezen slagen er niet of nauwelijks meer in de mensen in hun gebieden te voeden. In zulke omstandigheden verliezen ook etnische loyaliteitsgevoelens van de Oezbeekse en Tadzjiekse minderheden snel hun betekenis.

Zo mogelijk nog belangrijker: het moreel van de eens zo gevreesde troepen van Dostam en Massoud daalt zienderogen. Bij de inname van Bagram alleen al zouden de Talibaan liefst 37 tanks hebben buitgemaakt, die daar door de in paniek gevluchte mannen van Dostam en Massoud waren achtergelaten. De Talibaan, meest eenvoudige dorpsjongens die er heilig van overtuigd zijn dat ze linea recta in de hemel belanden als ze de dood op het slagveld vinden, zijn intussen sterker gemotiveerd dan ooit.

“Zuiver materieel gezien hebben Dostam en Massoud nog duidelijk een overwicht, maar daar kopen ze met zo'n laag moreel weinig voor”, zegt een Afghaan die bij een buitenlandse hulporganisatie in Kabul werkt en over goede militaire contacten beschikt.

“De Talibaan houden er een strenge discipline op na en een doelmatig opperbevel”, constateeert een voormalige officier, die ten tijde van de communistische heerschappij in het Afghaanse leger diende. “Daarom hebben ze nu zo'n succes.” Hij vindt het bijzonder verstandig dat ze de mensen in het land ontwapenen: “Alleen dan bestaat er een kans op vrede.”

Buitenlandse journalisten en hulpverleners die de laatste weken in Mazar-i-Sharif, de hoofdstad van Dostams noordelijke rijkje, zijn geweest, melden dat het ongenoegen van de meeste bewoners met diens bewind een nieuw hoogtepunt heeft bereikt. Dat komt vooral door de precaire economische toestand. Veel mensen krijgen van Dostam een salarisje in afghani's, die in steeds grotere hoeveelheden door een Russische drukkerij worden aangevoerd. De Talibaan erkennen deze 'Dostam-afghani's' echter niet (via een serienummer valt vast te stellen hoe oud ze zijn), waardoor deze ook op de markt in Mazar-i-Sharif inmiddels vier keer zo weinig waard zijn als andere afghani's.

Een onprettige bijkomstigheid voor de mensen in zijn gebied is dat Dostam volgens sommige berichten het grootste deel van de graanoogst van het afgelopen jaar aan zijn steunpilaar Oezbekistan had verkocht, omdat daar de oogst was mislukt. Daardoor heerst er nu een tekort aan graan, dat deels met steun uit het buitenland moet worden opgevangen.

Voorts zijn de plaatselijke aanvoerders in de noordelijke provincies Baghlan en Kunduz zo corrupt en daardoor zo impopulair, dat aangenomen mag worden dat hun val op handen is. In beide provincies wonen bovendien aanzienlijke Pathaanse minderheden. De Talibaan bestaan vooral uit Pathanen, de grootste etnische groep van het land, en zijn ook vooral onder die groep populair.

De door shi'ieten bewoonde provincie Bamiyan in het ruige hart van Afghanistan wankelt intussen eveneens. Massoud, die tot vorig jaar de lakens uitdeelde in Kabul, is teruggevallen op zijn vertrouwde Panshir-vallei ten noordwesten van de hoofdstad. Hij heeft naar verluidt veel burgers opgedragen naar elders te vertrekken omdat hij hen niet kan voeden.

De aanhoudende opmars van de Talibaan heeft nog altijd niet geresulteerd in enigerlei erkenning uit het buitenland. Dat behandelt hen nog steeds alsof ze aan een besmettelijke ziekte lijden en dit steekt de Talibaan zeer. “Zo Allah het wil, zullen we spoedig het hele land hebben bevrijd en nog altijd heeft u ons bewind niet erkend”, sprak gouverneur Maulawi Abdul Reza Akhund van de provincie Herat een paar weken geleden verwijtend tot een groep buitenlandse bezoekers. “Dat is in strijd met het volkenrecht.”

Het buitenland weet zich niet goed raad met de opmars van de islamitische strijders, al beseft het dat die voorlopig niet zullen verdwijnen. Er leven uiteenlopende bezwaren tegen de Talibaan. Oezbekistan, Turkmenistan en Tadzjikistan, dat zelf nog bijkomt van een burgeroorlog, en op de achtergrond Rusland, zijn bevreesd dat zo'n nieuwe streng islamitische zuiderbuur onrust zal wekken binnen de eigen landsgrenzen. Daar heeft de islam de afgelopen decennia een sluimerend bestaan geleid, ook al is het grootste deel van de bevolking er moslim. Vooral bij aanhoudende economische tegenspoed zouden de moslims vatbaar kunnen worden voor vurige islamitische predikers.

Het buurland Iran is niet gelukkig de islamitische pretenties van de Talibaan. Teheran ziet hun opmars bovendien als resultaat van een complot tegen zijn eigen islamitisch regime van de zijde van Pakistan, Saoedi-Arabië en ook de VS. Vooral de Pakistaanse hulp voor de Talibaan verontrust ook India. In een deel van het Westen intussen, waar de meeste humanitaire hulp vandaan komt, ergert men zich aan de discriminatie van de vrouw en aan de sluiting van scholen voor meisjes door de Talibaan. Ook op de steppen en in de bergen van Afghanistan dient het Handvest van de VN onverkort van kracht te blijven.

Ondanks deze afkeer van de Talibaan ziet het er niet naar uit dat hun vijanden bereid zijn tot grote offers om hun opmars te stuiten. Zelfs mensen zonder sympathie voor de Talibaan verwachten bovendien meer heil van een stabiel Afghanistan dan van een voortzetting van de nu al bijna twintig jaar durende oorlog. Een gas- en olierijk land als Turkmenistan ziet reikhalzend uit naar vrede in Afghanistan, zodat er een pijpleiding kan worden aangelegd naar Pakistan, van waar het eindelijk goed betalende klanten kan bereiken.

De Pakistanen op hun beurt hopen via de Talibaan hun greep op de politieke en economische ontwikkelingen in Centraal-Azië te vergroten. Bovendien kunnen ze bij vrede eindelijk de ruim één miljoen Afghaanse vluchtelingen terugsturen. Datzelfde geldt voor Iran, dat naar verluidt al plannen heeft de repatriëring van meer dan een miljoen Afghanen binnenkort te hervatten. Teheran hoopt waarschijnlijk stilletjes dat de vluchtelingen, die jarenlang aan de Iraanse cultuur en taal zijn blootgesteld geweest, in Afghanistan een tegenwicht zullen bieden voor de door Pakistan en Saoedi-Arabië beïnvloede Talibaan. Intussen onthoudt het zich van al te scherpe kritiek op de Talibaan.

Ook de Amerikanen blijven de ontwikkelingen in deze strategische hoek van Centraal-Azië met argusogen volgen. Ze lijken niet afkerig van de Talibaan. Die vormen een welkome tegenkracht tegen het door hen nog altijd verfoeide Iraanse bewind, terwijl ze eventueel ook als handenbinder tegen Rusland en zijn Centraalaziatische bondgenoten kunnen fungeren. Washington heeft inmiddels als een der weinigen al een diplomaat voor besprekingen naar Kabul gestuurd. De Verenigde Staten zijn er dikwijls van beschuldigd de Talibaan ook actief steun te hebben verleend, maar bewijzen daarvoor zijn er nooit geweest.

“Ik voorspel dat de Westerse regeringen vroeg of laat geen andere keus zullen hebben dan het bewind van de Talibaan te erkennen”, zegt de Afghaan met de goede militaire contacten. “Maar ze kunnen daar natuurlijk wel een prijs voor vragen in de vorm van bepaalde concessies van de Talibaan.”

Dat wil niet zeggen dat de Talibaan zich door wie dan ook de wet laten voorschrijven. In de beginfase van hun stormachtige opmars konden ze het misschien nog niet zonder de financiële en materiële steun van anderen redden, inmiddels zijn ze sterk genoeg om op eigen benen te staan. Wel is het zaak voor hen de eenheid in eigen gelederen te bewaren. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want hun aanhang bestaat vooral uit Pathanen en die hebben vanouds de neiging gehad de wapens op elkaar te richten zodra er geen gezamenlijke vijand meer voorhanden is.