Stop met het vertroetelen van de EMU

De economische en monetaire unie betekent eerder slecht nieuws voor velen dan goed nieuws voor allen, waarschuwt Jos de Beus. Het is de hoogste tijd dat gestopt wordt met het vertroetelen van deze 'liefdesbaby' van Mitterrand en Kohl en dat een debat gevoerd wordt waar het werkelijk om moet gaan: herstel van de Europese economie.

De Nederlandse discussie over de monetaire eenwording van Europa staat in het teken van een zeldzaam optimisme. In de meeste lidstaten is de vraag gerezen of het recept van convergentietoets, stabiliteitspact en federaal bankieren niet erger is dan de kwaal van Europese werkloosheid. Maar afgezien van de advocaat Van Schijndel en zijn stagiair Bolkestein, de academische economen Buiter en Klamer, de sociaal-democraten Kalma en Metten alsmede de staf van Robeco Effectenbank, tonen de meeste Nederlandse ingewijden geen enkele aarzeling of somberheid in hun pleidooi voor de strategie van de 'bittere pil'.

De tien jaren tussen de ratificatie van het Verdrag van Maastricht (1992) en de invoering van de ene Europese munt (2002) moeten en zullen worden benut voor de voltooiing van een omvattende bezuinigingspolitiek. Door centrale bankiers als Wellink wordt de stagflatie uit de jaren zeventig en tachtig op één lijn gesteld met de inflatie in de republiek van Weimar. In dit avondlandverhaal vallen de eventuele kosten van een rommelige, scheve of doorschietende krimp in de publieke sector in het niet bij de talrijke Europese baten. Deze baten zijn blijvende economische groei, dynamiek in een waarlijk Europese economie met voldoende aanpassingsvermogen op de wereldmarkt, politieke eenheid rondom de Duits-Franse as, creatief samenspel tussen de Europese monetaire autoriteit en de nationale budgettaire gezagsdragers, en versteviging van Nederlands plaats binnen de groep rijkste landen. Kortom, wie thans 'de pil slikt' door zich aan de gemaakte diplomatieke afspraken te houden en forse aanpassingen op een rij te zetten en door de volksvertegenwoordiging heen te rammen, die beschikt morgen over een 'kerngezonde' economie. Bij een overgang naar de Economische en Monetaire Unie (EMU) is iedereen per saldo beter af, zo luidt de nieuwste Nederlandse consensus.

De Nederlandse strategie van de bittere pil is niet gemakkelijk aan te vechten. De Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith heeft zich een leven lang verzet tegen overschatting van de mogelijkheden van monetair beleid. Hij brengt dit aparte maakbaarheidsgeloof in verband met het ervaringsfeit dat “in zowel geldzaken als diplomatie een keurig conformistische geaardheid, een goede kleermaker en het vermogen om modieuze gemeenplaatsen te uiten, meestal beter zijn voor het behalen van persoonlijk succes dan een overmatig kritische geest”. Galbraiths manier van ontmaskering van de haute finance is echter slechts ten dele van toepassing, want de hartelijke ondersteuning van de EMU door de Nederlandse elite hangt toch ook samen met een traditie van oprechte zuinigheid en met de aantoonbare werkzaamheid van de bittere pil in eigen land (een harde munt en stijgende werkgelegenheid). Daarom beperk ik me tot het zakelijke bezwaar dat de eurobewakers hun nobele belofte niet zullen waarmaken.

Ze beweren allereerst dat de kansen op Europese economische groei drastisch zullen verbeteren door de opheffing van omwisselings- en afdekkingskosten (één euro in plaats van vijftien munteenheden) en door de invoering van structureel begrotingsbeleid. Voortaan houden overheden op middellange termijn hun begrotingen in evenwicht, terwijl ze op korte termijn een tekort van ten hoogste drie procent mogen aanhouden. Maar er zijn diverse factoren die dit groeipad ontoegankelijk maken en zelfs een recessie dichterbij brengen.

Het gemiddelde financieringstekort in Europa bedraagt thans 4,5 procent. De meeste regeringen die lid willen worden en blijven van de EMU, zullen streven naar een begrotingsoverschot. Daarmee vermijden ze namelijk de vernederende miljardenboetes krachtens het stabiliteitspact. Bovendien beseffen deze regeringen dat ze in goede tijden reserves moeten opbouwen voor slechte tijden (de zogeheten automatische stabilisatoren). Want bij specifieke nationale schokken, bij voorbeeld een terugval van de Nederlandse bedrijvigheid, behoeven ze niet te rekenen op automatische of discretionaire overdrachten van de kant van de EU. Een en ander betekent dat alle lidstaten zich zullen verplichten tot aanhoudende bezuinigingen. Voor Nederland zijn die al geraamd op 18 miljard extra. De omvang en gelijktijdigheid van deze operaties zullen resulteren in een reusachtige onderbesteding.

Het valt niet te verwachten dat de jonge Europese Centrale Bank (ECB) alsdan een accomoderend beleid zal voeren. Onder druk van de beleggers, de massa particuliere spaarders/kiezers en de bankiers, zal de ECB voorrang geven aan inflatiebestrijding en zal zij alles op alles zetten om de hardheid van de euro te waarborgen. Het te verwachten hoge peil van de reële rente zal de recessie alleen maar dieper maken.

Nauw verbonden met dit gevaar van toenemende werkloosheid in de EMU is het gevaar van uitholling van de rechten van Europese werknemers. In opdracht van de Zweedse sociaal-democratische partij heeft een groep Zweedse economen onder leiding van Lars Calmfors in november van het afgelopen jaar uitgezocht hoe deze uitholling optreedt. Als de economie van een bepaalde lidstaat verstoord wordt (door een zogeheten asymmetrische schok), dan staat de regering in deze lidstaat vrijwel met lege handen. Depreciatie of devaluatie van de eigen munt zijn verleden tijd geworden. Emigratie van werknemers naar bloeiende Europese regio's komt niet of veel te laat op gang.

Een coalitie voor tijdelijke solidariteit (matiging van looneisen, verschuiving van publieke lasten) komt moeizaam tot stand. Uitgavensteun vanuit Brussel blijft uit of is miniem (structuurfondsen). Alleen een volledige deregulering van de arbeidsmarkt biedt soelaas. In dat geval wordt de klap opgevangen door een flexibele loonvoet: de werknemers hebben een forse loondaling te aanvaarden. De meeste Europese regeringen zeggen dat ze willen vasthouden aan het idee van een sociale markteconomie. Maar Calmfors laat zien dat dit slechts retoriek is. Wil men rationeel toetreden tot de EMU, dan zullen eerst de rechten van werknemers (arbeidsvoorwaarden zoals het wettelijk minimumloon, zeggenschapsrechten, sociale rechten) aanzienlijk moeten worden teruggebracht.

Dit is des te wranger als in aanmerking wordt genomen dat de neoliberale conceptie van volledige werkgelegenheid in de praktijk niet werkt. Het is wel mogelijk gebleken om de inflatie de kop in te drukken door beheersing van de geldhoeveelheid, door terugtred van de verzorgingsstaat (privatisering) en door deregulering van allerlei markten. Maar nergens in het OESO-gebied heeft deze aanpak geleid tot een terugkeer naar een toestand waarin alle burgers die betaald werk kunnen doen uitzicht hebben op een fatsoenlijke baan. Er is dus wel degelijk een spanning tussen de bestrijding van inflatie en die van werkloosheid, zoals de OESO inmiddels ook zelf toegeeft.

Als de aanhangers van de EMU worden geconfronteerd met de bezwaren tegen de willekeur van de Maastrichtse convergentiemaatstaven en de waarschijnlijkheid van een ramspoedscenario, dan antwoorden ze doorgaans dat men de EMU in laatste instantie als een politiek experiment moet zien.

Maar de politieke bezwaren tegen de EMU zijn misschien nog wel knellender dan de economische bezwaren. Het is waar dat het ontwerp van de EMU een politiek compromis was. En dat compromis had weer te maken met de Franse afkeer van de hegemonie van de Bundesbank, met de binding van het herenigde Duitsland aan het Westen, met de belangen van de Duitse (en Nederlandse) exportindustrie en met de weigering van politici in Noord en Zuid om zich te verantwoorden voor het ondoeltreffende onrecht in hun bezuinigingsbeleid (Europese integratie en mondialisering als alibi).

Maar uit het proces van uitwerking van dit ontwerp kan men geen andere conclusie trekken dan dat de doelstelling van politieke eenwording niet serieus wordt genomen dan wel met ondeugdelijke middelen wordt nagestreefd. De invriezende driedeling tussen noordelijke kernleden, zuidelijke wachtkamerleden en niet-leden (het Verenigd Koninkrijk, Denemarken); de botsing tussen Frans dirigisme en Duits ordo-liberalisme. De openlijke vooroordelen (Franse bezuinigingstrucs, mediterrane impulsiviteit); het afnemende vertrouwen in Europese instellingen bij de Europese burgerij; de anti-Europese troefkaart van extreem-rechtse krachten; de oproep van premier Kok tot eendrachtig stilzwijgen tot aan de IGC in Amsterdam - het zijn even zovele tekenen van een toegenomen rivaliteit tussen Europese staten, gekenmerkt door onderling wantrouwen en een slinkende bereidwilligheid om in de details echte concessies te doen voor het Europese ideaal.

Zelfs de aartsvaders van de Europese monetaire afstemming (Giscard d'Estaing, Schmidt, Delors) zijn onaangenaam verrast door het tempo waarmee hun nakomelingen de EMU hebben omgevormd tot het probate middel voor politieke ontbinding van Europa. Het zal ze evenmin verbazen als de muntsmetvrees uit Duitsland naar Nederland overwaait. Misschien zullen in het verkiezingsjaar 1998 alle lijsttrekkers de balk van Maastricht zo laag leggen, dat alleen Nederland lid is van de zuivere unie, en dus buiten de echte EMU moet blijven.

Een bijzonder politiek nadeel van de EMU is de sluipende oligarchisering van de Europese politiek. De besluitvorming over de nieuwe economische orde in Europa geschiedt via de sluiting van verdragen tussen regeringsleiders en de voorbereiding of uitwerking daarvan door ministers en hoge ambtenaren. Dit is een schemergebied tussen nationale parlementen (die weinig te zeggen hebben over veel) en het Europees parlement (dat veel te zeggen heeft over weinig). Hier wordt hoger staatsrecht gemaakt en wordt soevereiniteit overgedragen zonder dat aan elementaire voorwaarden voor een democratisch grondwettelijk beraad wordt voldaan, zoals de Amerikaanse econoom James Buchanan en de Duitse filosoof Jürgen Habermas hebben aangetoond. Het is zelfs aan de volksvertegenwoordigers in Den Haag en Straatsburg niet duidelijk wanneer wie namens Nederland met wat heeft ingestemd.

Sommigen zien de vestiging van een onafhankelijke ECB als een eindstation omdat een onbelemmerde beleidsconcurrentie verder wel zal zorgen voor de nodige afstemming tussen de federale geldpolitiek en de begrotingspolitiek van de lidstaten. Anderen zien deze bank als opmaat tot harmonisatie (van medezeggenschap, ecobelastingen enz.) en tot de vorming van een Europese economische grootmacht met een eigen handelspolitiek en sociale politiek. Beide groeperingen laten in het vage hoe de uitgeholde en misbruikte nationale democratie kan worden omgezet in een sterke transnationale democratie.

Een schoolvoorbeeld hiervan is de Nederlandse opstelling inzake de onafhankelijkheid van de ECB. De werking van deze bank zal afhangen van de overeenstemming over haar beleidsvisie (verantwoordelijkheid voor prijsstabiliteit of ook voor conjunctuurstabiliteit, manipulatie van de geldhoeveelheid of van de rente) en van de competentie van de president alsmede diens persoonlijke gezag in de ogen van de Europese burgerij.

Minstens zo belangrijk worden het institutionele kader (formeel aanwijzingsrecht, ministeriële verantwoordelijkheid, geregeld overleg tussen de ECB en de Europese ministers van Financiën, verantwoording aan het Europese Parlement) en de vertrouwensrelaties tussen de ECB, de Europese bankwereld en ook het georganiseerde bedrijfsleven - dat op Europese schaal overigens nauwelijks wortel schiet.

Nederland moet niets hebben van de Franse pogingen tot invoering van een 'stabilisatieraad' en heeft zich bekeerd tot het Duitse model van centraal bankieren, daarbij terloops afscheid nemend van het eigen model van democratische zelfbinding zoals dat is neergelegd in de Bankwet van 1948. Het is tot daar aan toe om de EMU als een simpele uitbreiding van de Nederlands-Duitse verankering sind 1983 voor te stellen. Maar het is ronduit onverstandig om alle guldens in te zetten op een 'welwillende oligarchie', ook als die straks door Wim Duisenberg zou worden aangevoerd. Wanneer een dergelijke ECB een impopulaire maatregel wenst te nemen zonder politieke rugdekking in een stabilisatieraad, dan zal de Europese vakbeweging in opstand komen, wentelen de regeringsleiders de verantwoordelijkheid af op de bank der banken der banken in Frankfurt en zullen de meeste Europeanen zich niet laten overtuigen door de teksten van een president die niet hun landgenoot is. Zowel vanuit het oogpunt van grondwettelijke 'checks and balances' als dat van het welbegrepen eigenbelang van de ECB is het dus beter dat de oligarchisering van het monetaire beleid wordt ingedamd.

Mede daarom relativeer ik ook het Nederlandse belang bij de kandidatuur van Duisenberg. Als de stabiliteitsraad handen en voeten krijgt, dan is Duisenberg een goede keus. Maar als de ECB een tweede Bundesbank wordt (wat Duitsenbergs eigen intense voorkeur lijkt te zijn), dan is een centrale bankier uit een grote lidstaat als Frankrijk een goede keus. Het wil hier te lande maar niet doordringen dat Duisenberg in het buitenland wordt aangezien voor een monetaristische havik die Duitser dan de Duitsers is geworden.

De Nederlandse ingewijden hebben geen enkele belangstelling voor de staatsrechtelijke vraag wie de eurobewakers bewaakt. Dat is verkeerd maar wel verklaarbaar. Jan Pen heeft al gewezen op de gunstige uitgangssituatie voor Nederland (export, arbeidsproduktiviteit, afgeknotte loon-prijsspiraal). Mocht de economische integratie van Europa even problematisch worden als de lopende Duitse integratie, dan heeft Nederland een redelijke terugvalpositie. Maar er bestaat ook nog zoiets als de 'animal spirits' (Keynes). Nederland heeft haar terugvalpositie verworven door een mengsel van inkomensmatiging en lastenverlichting in de exportsector en de beschermde sector. Dit zogenaamde polderlandmodel begint nu gidslandproporties aan te nemen: het Rijnlandse federalisme wordt ten toon gesteld als de verbreiding van de Nederlandse variant op de strategie van de bittere pil.

Hier is een 'Nederlandocentrisme' opgekomen dat helemaal niets meer te maken heeft met een pragmatische herschikking van de Nederlandse natiestaat in de EU. Ten eerste staat polderland voor een agressieve verlaging van produktiekosten ten opzichte van het concurrerende buitenland. Ten tweede kunnen alleen kleine landen met een bepaalde economische basiscultuur (Nederland, Oostenrijk) dit beleid van 'het tot de bedelstaf brengen van de buren' uitvoeren. In grote landen is de voor bestedingsbeperking vereiste saamhorigheid en tucht afwezig en zou de binnenlandse vraag ook veel te sterk worden getroffen. Ten derde zou een algehele Europese nabootsing van het polderlandmodel de recessie versterken, nog afgezien van het feit dat Nederland zijn wapen in de beleidsconcurrentie zou verliezen.

Mijn risico-analyse heeft hopelijk duidelijk gemaakt dat de EMU eerder slecht nieuws voor velen zal betekenen dan goed nieuws voor allen.

Als mijn risico-analyse klopt, dan zijn de uitspraken van de in het begin genoemde prominenten nog gematigd te noemen. Het eerste wat nu in het Nederlandse debat zou moeten gebeuren is dat men stopt met de vertroeteling van de liefdesbaby van Mitterrand en Kohl. Geen agitprop of 'group think', maar gewoon een open debat over alle scenario's voor herstel van de Europese economie.