Partijen oneens met Bolkestein

DEN HAAG, 12 FEBR. Met de opvatting van VVD-fractieleider Bolkestein dat er volgend jaar eerst nog een beslissend Tweede-Kamerdebat moet zijn over het Nederlandse lidmaatschap van de Europese Muntunie zijn de andere grote partijen het niet eens.

Zij willen wel dat de regering zich dan veel aan de opvatting van een Kamermeerderheid gelegen laat liggen. Maar zij menen ook dat de tekst van het door de Nederlandse regering getekende en vervolgens najaar 1992 parlementair geratificeerde Verdrag van Maastricht het Nederlandse lidmaatschap van de Muntunie automatisch meebrengt als ons land zich daarvoor volgend voorjaar heeft gekwalificeerd. “Het debat kan in die zin niet beslissend zijn, dat de regering hier een eigen verantwoordelijkheid heeft”, zegt de D66'er Ybema, “al moet er natuurlijk wel een moment komen dat we daarover met het kabinet van gedachten wisselen”. Fractieleider Heerma van het CDA ziet dat ook zo, maar vindt de kwestie overigens “nogal theoretisch”: “Het wordt een belangrijk debat, waarin de regering natuurlijk een meerderheid moet hebben, maar die is dankzij PvdA, D66 en CDA ook verzekerd.” Dat het Nederlandse lidmaatschap van de muntunie buiten twijfel moet blijven vindt ook PvdA'er R. van der Ploeg.

Indien, nadat Nederland naar het oordeel van zijn partners in de Europese Unie volgend voorjaar gekwalificeerd geacht wordt als lid van de muntunie, een meerderheid van de Tweede Kamer daar toch alsnog buiten zou willen blijven, zou zij de regering dus in feite aanzetten tot verdragsbreuk.

Het tot het Verdrag van Maastricht behorende Protocol over de derde fase van de EMU is op dit stuk duidelijk: Het luidt: “De Hoge Verdragsluitende partijen verklaren dat de gang van de Gemeenschap naar de derde Fase van de Economische en Monetaire unie door de ondertekening van de nieuwe verdragsbepalingen betreffende de Economische en Monetaire Unie een onomkeerbaar karakter heeft gekregen. Derhalve eerbiedigen alle Lid-Staten, ongeacht of zij al dan niet voldoen aan de noodzakelijke voorwaarden voor de aanneming van één munt, de wil dat de Gemeenschap snel de derde fase ingaat en belet geen enkele Lid-Staat het ingaan van de derde fase. (...)”